Beschrijving
Het Bruin blauwtje (Aricia agestis) is een kleine dagvlinder uit de familie van de Blauwtjes. Ondanks zijn Nederlandse naam is deze soort vrijwel volledig bruin van kleur en mist hij de opvallend blauwe bovenzijde die veel andere blauwtjes kenmerkt. Het is een warmteminnende vlinder die vooral voorkomt op droge, bloemrijke graslanden en zonnige bermen.
Ze heeft een spanwijdte van ongeveer 26 tot 32 mm.
Kenmerkende eigenschappen zijn:
- donkerbruine bovenzijde bij zowel het mannetje als het vrouwtje;
- een rij opvallende oranje maanvlekken langs de vleugelrand;
- lichtbruine onderzijde met zwarte stippen die wit zijn omrand;
- geen blauwe glans op de bovenvleugels, hoogstens een zeer subtiele blauwachtige bestuiving bij sommige vrouwtjes.
De soort kan gemakkelijk worden verward met het Icarusblauwtje. Het ontbreken van een helderblauwe bovenzijde en de karakteristieke tekening op de onderzijde helpen bij een betrouwbare herkenning.

Ecologie
Het Bruin blauwtje is een kenmerkende soort van kruidenrijke, schrale graslanden. Omdat de rupsen afhankelijk zijn van specifieke waardplanten en de volwassen vlinders een rijk bloemenaanbod nodig hebben, profiteert de soort van extensief beheer waarbij voldoende bloeiende kruiden en open vegetatie behouden blijven.
Verspreiding
Het Bruin blauwtje komt voor in een groot deel van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In België is de soort vooral te vinden in warme, droge gebieden en heeft ze zich de afgelopen decennia op verschillende plaatsen uitgebreid, mede dankzij het warmere klimaat.
Geschikte leefgebieden zijn onder andere:
- droge bloemrijke graslanden
- kalkhellingen
- spoorbermen
- dijken
- heideterreinen
- extensief beheerde wegbermen
Larve
De rupsen leven voornamelijk op planten uit de ooievaarsbekfamilie. Belangrijke waardplanten zijn:
- zachte ooievaarsbek (Geranium molle);
- duivenkervelachtige ooievaarsbekken;
- gewone reigersbek (Erodium cicutarium);
- andere laagblijvende ooievaarsbeksoorten.
De jonge rupsen eten eerst bloemen en jonge vruchten, later ook bladeren. Ze overwinteren als halfvolgroeide rups tussen de vegetatie en verpoppen in het voorjaar dicht bij de grond.
In onze streken verschijnen meestal twee generaties per jaar, soms zelfs een gedeeltelijke derde generatie tijdens warme zomers.

