Beschrijving
De boomvalk is een slanke, elegante valk die met zijn sierlijke vlucht en vlijmscherpe jachttechniek veel bewondering oogst. Hij is kleiner dan de slechtvalk, maar groter dan de torenvalk, en valt meteen op door zijn lange, spitse vleugels en gevorkte staart. Zijn verenkleed is donkergrijs van boven, met een lichte, fijn gestreepte buik en opvallend roestrode “broekveren” rond de poten, die hem een levendig en herkenbaar uiterlijk geven. Zijn donkere kop met smalle snorstrepen geeft hem de typische felle blik van een valk.
De boomvalk staat bekend om zijn spectaculaire jacht in de lucht. Hij jaagt vaak op libellen, zwaluwen en andere kleine vogels, die hij in volle vlucht met acrobatische snelheid en wendbaarheid achtervolgt. Soms pakt hij zijn prooi met de poten en eet die gewoon op terwijl hij doorvliegt.
In Vlaanderen is de boomvalk een zomervogel. Hij arriveert in april-mei uit zijn overwinteringsgebieden in Afrika en blijft tot september-oktober. Je vindt hem meestal in open landschappen met bosranden, heidevelden en moerassen, waar hij hoog in de lucht patrouilleert of vanaf een uitkijkpost zijn jachtgebied overziet. Zijn aanwezigheid is vaak te herkennen aan zijn schichtige silhouet, dat doet denken aan een grote zwaluw met scherpe vleugels.
De boomvalk is daarmee een meester van de lucht: snel, sierlijk en dodelijk precies, een vogel die snelheid en elegantie verenigt in elke vlucht.

Habitat
De boomvalk houdt van halfopen landschappen: gebieden waar bossen, heide, moerassen en open velden elkaar afwisselen. Hij heeft bomen nodig als uitkijk- en rustplaatsen, maar ook open ruimte om te jagen. Vaak zie je hem aan de rand van bossen of boven vennen, waar libellen overvloedig aanwezig zijn. Tijdens de zomer jaagt hij ook graag boven weilanden en akkers, waar hij zwaluwen, gierzwaluwen en andere vliegende vogels kan verschalken.
In Vlaanderen broedt hij verspreid, vooral in de grotere natuurgebieden met veel openheid en water. Buiten de broedtijd is hij vooral een vogel van de lucht: vaak onopgemerkt, behalve wanneer hij plots als een donkere schicht door de lucht schiet.
Nestgedrag
De boomvalk bouwt zelf geen nest, maar gebruikt vaak een oud kraaien- of eksternest hoog in een boom. Het nest wordt nauwelijks aangepast en dient als eenvoudige broedplek. Vanaf eind mei tot juni legt het vrouwtje meestal 2 tot 4 eieren, die ze samen met het mannetje bebroedt.
Na ongeveer vier weken komen de jongen uit. Beide ouders jagen intensief om de hongerige kuikens te voeden. Daarbij brengen ze vaak libellen of kleine vogels aan, die ze soms in stukken scheuren voordat ze aan de jongen worden gevoerd. Een bijzonder gezicht is hoe de ouders, echte luchtspecialisten, ook dicht bij het nest hun prooien in volle vlucht vangen.
Na vier tot vijf weken vliegen de jongen uit, al blijven ze nog een tijd in de buurt afhankelijk van hun ouders. Tegen september maken de jonge boomvalken zich al klaar voor de lange trektocht naar Afrika, een reis die ze al na hun eerste zomer ondernemen.
