Home » Soorten » Vogels » Roofvogels » Torenvalk

Torenvalk

Falco tinnunculus

Beschrijving

De torenvalk is een middelgrote roofvogel die je vaak herkent aan zijn kenmerkende manier van jagen: biddend in de lucht hangen, trillend met snelle vleugels terwijl hij stil boven een veld of berm blijft hangen. Met zijn scherpe blik speurt hij de grond af naar muizen en andere kleine prooien. Zijn verenkleed is warmbruin met donkere vlekjes, de rug en vleugels hebben een roestige tint, terwijl de borst lichter en gespikkeld is. Het mannetje valt op door zijn grijze kop en staart, die eindigt in een zwarte band; het vrouwtje is overwegend bruin en fijner gestreept.

Lees meer over zijn speciale jachtgedrag in dit artikel: Bidden bij torenvalken: hoe ze hun jachtplek kiezen

Habitat

De torenvalk houdt van open landschappen waar hij vrij kan jagen en overzicht heeft. Akkers, weilanden, heidevelden en wegbermen zijn typische plekken waar je hem ziet bidden in de lucht. Ook langs dijken, spoorwegen en stadsranden voelt hij zich thuis, zolang er maar voldoende prooien zoals veldmuizen en insecten aanwezig zijn.

In tegenstelling tot sommige grotere roofvogels is de torenvalk opvallend goed aangepast aan menselijke omgevingen. Hij nestelt graag in open landbouwgebieden, maar maakt ook gebruik van nestkasten die in dorpen en steden worden opgehangen, of oude gebouwen en kerktorens waaraan hij zijn naam dankt. Daardoor is hij in grote delen van Europa een vertrouwde verschijning, zowel in het boerenland als dicht bij mensen.

Zijn aanwezigheid is sterk verbonden met de beschikbaarheid van muizen: in jaren waarin de muizenstand hoog is, zie je torenvalken overal boven de velden stil in de lucht hangen. In arme muizenjaren moet hij verder zwerven, maar hij blijft altijd trouw aan het open landschap.

Nestgedrag

De torenvalk bouwt zelf geen nest, maar maakt gebruik van wat hij vindt. Oude kraaien- of eksternesten, nissen in gebouwen, kliffen of kerktorens: allemaal worden ze door hem benut. Steeds vaker zie je ook dat hij nestkasten gebruikt die speciaal voor hem zijn opgehangen, wat zijn aanwezigheid in dorpen en steden alleen maar zichtbaarder maakt.

Vanaf april-mei begint het broedseizoen. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die zij grotendeels zelf uitbroedt terwijl het mannetje haar van voedsel voorziet. Na een kleine maand komen de jongen uit. In de eerste weken zijn de kuikens volledig afhankelijk van hun ouders, die onafgebroken heen en weer vliegen met muizen en insecten. Naarmate de jongen groeien, zie je ze steeds vaker onhandig op de rand van het nest zitten, de vleugels spreidend en klapperend in de wind.

Na zo’n 4 à 5 weken wagen de jonge torenvalken zich aan hun eerste vlucht. Nog geruime tijd blijven ze in de buurt van het nest, bedelend om voedsel en onder begeleiding van de ouders. Het is een periode van intens leven in de lucht: jonge vogels die stuntelig leren jagen, terwijl hun ouders ze behoedzaam de kunst van het bidden en slaan bijbrengen.

Foto’s