Algemeen
Zweefvliegen zijn insecten uit de orde Diptera (tweevleugeligen) en vormen de familie Syrphidae. In tegenstelling tot bijen en wespen hebben ze maar één paar vleugels in plaats van twee. Wereldwijd zijn er ongeveer 200 geslachten met in totaal zo’n 6000 soorten beschreven. In Europa komen er ongeveer 500 voor, waarvan er in België ongeveer 350 zijn waargenomen. In Vlaanderen kunnen we ongeveer 300 soorten verwachten alhoewel men verwacht dat daar al een twintigtal soorten van verdwenen zijn. De familie van de zweefvliegen is ook een van de grootste en best bestudeerde vliegenfamilies in onze streken.
De naam zweefvlieg komt vanuit hun indrukwekkende mogelijkheid om stil in de lucht te zweven. Dit kunnen ze doordat ze enorme snelle vleugelslagen hebben (tot wel een paar honderd keer per seconde). Extra stabiliteit krijgen ze door een ver ontwikkelde halter. Dit is een wit stompje dat gevormd is uit de achtervleugel (zie figuur 1). Het werkt als het ware als een soort gyroscoop dit door middel van trillingen verandering in richting kan waarnemen. Alle vliegen hebben dit, maar bij de zweefvliegen is dit nog scherper ontwikkeld wat hun de ongekende vliegstijl oplevert.

Herkenning
In de meeste gevallen zijn zweefvliegen te herkennen aan hun lichaam en vliegstijl. Veel soorten zijn geel-zwart gestreept of hebben een oranje tekening en lijken zo oppervlakkig op wespen, bijen of hommels. Het onderscheidt valt gemakkelijk te maken omdat zweefvliegen veel kortere antennes hebben dan wespen of bijen. In de vlucht is het soms moeilijker te herkennen want er zijn soorten (Volucella spp.) die niet alleen lijken op hommels, maar hun gedrag en geluid ook enorm goed kunnen imiteren. Daardoor wordt herkennen soms pas mogelijk als het individu stilzit.
Verder hebben zweefvliegen veel grotere facetogen die een groot deel van de kop inneemt (zie figuur 2). Bij zowel wespen en bijen zijn de ogen veel kleiner.

Zweefvliegen komen ook in alle maten voor. De grootste soort is de stadsreus (Volucella Zonaria). Een geelbruine hommelzweefvlieg tot wel 2cm lang. Een soort die trouwens ook profiteert van de klimaatveranderingen. De laatste decennia komt ze meer en meer voor.
Aan de andere kant van het spectrum zijn er piepkleine zweefvliegjes van amper 3mm zoals de korsetzweefvliegen (Sphaerophoria).
Daarnaast zijn niet alle zweefvliegen geelzwart of geelbruin. Er zijn verschillende soorten die zwart zijn zonder gele markeringen dus kleur is geen definitieve determinatie. De gitjes zijn een mooi voorbeeld daarvan.
Vleugels
Ook de vleugels hebben specifieke eigenschappen die je alleen maar bij zweefvliegen kan vinden. Zo hebben sommige soorten een uitgesproken dip in een één van de aders in de vleugel. In het veld is dit iets moeilijker te zien, maar mits wat ervaring lukt dit zeker.

Ook hebben veel zweefvliegen een extra ader ofwel vena spuria genoemd. Die is in het veld nog moeilijker te waarnemen dan bovenstaande dip maar met een loep of macrofoto valt dit gemakkelijker te zien. Niet alle zweefvliegen hebben een vena spuria of een dip in de R4+R5 ader dus het ontbreken ervan betekend niet automatisch dat het geen zweefvlieg is. De aanwezigheid daarentegen betekend echter wel dat we zeker kunnen zijn dat het om een zweefvlieg gaat.

Levenscyclus
Zweefvliegen behoren tot de infraorde Cyclorrhapha, de fylogenetisch jongste groep binnen de vliegen (Diptera). Deze groep onderscheidt zich door het gebruik van een verhard popomhulsel, het zogenaamde puparium. Hierin vindt de volledige metamorfose plaats. Dit verschilt van meer primitieve vliegen, zoals muggen, waarvan de pop vrij in het water beweegt en nog duidelijke uiterlijke kenmerken van het volwassen insect vertoont. Zweefvliegen volgen net zoals andere hogere insecten het holometabole ontwikkelingspatroon met vier duidelijk gescheiden stadia: ei – larve – pop – imago.
Afhankelijk van de soort en de omgevingstemperatuur kan deze cyclus van enkele weken tot meer dan een jaar duren. Veel soorten brengen meerdere generaties per jaar voort. Vooral tijdens warme maanden. Een vrouwtje legt haar eitjes op een plek die geschikt is voor de larven. Bij soorten met bladluis etende larven worden de eitjes vaak pal tussen de bladluizen afgezet. Enkele dagen later komt de larve uit het eitje en begint het zich te voeden. Larven hebben geen pootjes of zichtbare kop
Wanneer de larve volgroeid is, trekt ze zich terug op een beschutte plek en verpopt ze. De larvehuid verhardt tot een bruinig, tonvorming popomhulsel. In deze pop vindt de metamorfose plaats. Het lichaam van de larve wordt omgebouwd tot een volwassen zweefvlieg. Afhankelijk van de soort kan het een week tot zelf een hele winter duren. Dit laatste wordt bij soorten gebruikt als techniek om de winter te overleven. In de lente is de metamorfose compleet en kan de volwassen vlieg uitvliegen.
Een volwassen zweefvlieg leeft over het algemeen maar enkele weken. In die periode focussen ze zich vooral op voortplanting en voeding. Mannetjes bewaken vaak een territorium en proberen vrouwtjes te lokken met hun imposante vliegkunsten. Dit is vooral op te merken bij pendelvliegen (Helophilus spp.) en de bandzweefvliegen (Syrphus spp.) Na de paring legt het vrouwtje eitjes en begint de cyclus opnieuw.
Sommige soorten leven langer. Om de winter door te komen zoeken ze naar holtes in bomen of schuren op boerderijen. Dit zijn dan de zweefvliegen die we in de vroege lente als eerste zien.
Ook zijn er soorten die naar het zuiden migreren tijdens de winter en terugkomen tijdens de zomer. De snorzweefvlieg (Episyrphus balteatus) en de terrasjeskommazweefvlieg (Eupeodes corollae) migreren jaarlijks van Zuid-Europa naar Noordwest-Europa (Wotton et al, 2019).
Ecologische rol
Zweefvlliegen spelen een belangrijke ecologische rol. Als volwassen insect bezoeken ze bloemen om nectar en stuifmeel te eten. Daarbij zorgen ze voor bestuiving van talloze plantensoorten. Recent onderzoek toont aan dat wereldwijd tot wel 35% van alle bloembestuivingen door zweefvliegen wordt gedaan (Olsson et al., 2021). Individueel is een bij doorgaans efficiënter, maar zweefvliegen zijn met zo veel dat hun bijdrage enorm is. Ze vliegen bovendien vaak al vroeg in het seizoen en ook bij iets kouder of natter weer terwijl bijen minder actief zijn. Hierdoor zijn zweefvliegen onmisbare bestuivers van zowel wilde bloemen als landbouwgewassen.
Ook als larve brengen de zweefvliegen belangrijke bijdrage. Veel soorten zweefvliegen zetten hun eitjes af in de buurt van bladluiskolonies. De larven jagen dan op de bladluizen. Een larve kan in een week tijd honderden bladluizen opeten voordat hij verpopt. Op die manier zijn de larve belangrijke biologische plaagbestrijders. Een studie van Jiang et al. (2022) toonde aan dat de larve van de terrasjeskommazweefvlieg (Eupeodes corollae) kunstmatig toegevoegd kan worden aan tarwevelden als biologische bestrijder van bladluizen. Diezelfde soort blijkt bij gebruik in kassen tot wel 99% van de bladluizenpopulatie te verwijderen (Zhang et al., 2023). Ook wordt het kleine langlijfje (Sphaerophoria rueppelli) commercieel ingezet als natuurlijke bestrijder.
Niet alle zweefvlieglarven zijn carnivoor. Sommige larven leven als afvalopruimers (saprofagen). Een bekend voorbeeld is de larve van de blinde bij (Eristalis tenax) die in vervuild water of rottend organisch materiaal leven. Daarin filteren bacteriën en afval uit dat zuurstofarme milieu. Op die manier helpen ze bij de afbraak van organisch afval en het schoonhouden van bijvoorbeeld modderpoelen.
Dan zijn er ook soorten waarvan de larve in nesten van wespen of hoornaars leven. Daarin leven ze ook van dood organisch materiaal en helpen ze op die manier het nest schoon te houden.
Daarenboven spelen zweefvliegen zelf ook een belangrijke rol in verschillende voedselwebben. Als voedselbron voor grotere dieren zoals vogels, spinnen en libellen zorgen ze voor het energietransport doorheen de voedselketen.
Bovenstaande toont aan dat door hun grote aantallen en uiteenlopende ecologische functies, zweefvliegen een onmisbaar onderdeel zijn van ons ecosysteem.
Habitat
Zweefvliegen vind je vrijwel overal waar bloemen zijn. De volwassen dieren leven van nectar en stuifmeel. Meestal zijn ze niet zo goed om diep in een bloem nectar te halen. Daarom geven ze de voorkeur aan bloemen waar nectar gemakkelijk beschikbaar is. Aangezien insecten koudbloedige dieren zijn, kan je ze ook zien zonnen om op te warmen. Sommige soorten verkiezen halfschaduw en zal je maar heel af en toe in de volle zon aantreffen. Op zonnige dagen kan je ze bijna heel de dag door zien.
Bepaalde habitats trekken specifieke soorten aan. Bossen hebben veel zweefvliegen waarvan de larve in rottend hout of boomholten leven. Een bosrand is een enorm waardevolle habitat waar veel zweefvliegen foerageren. Oude loofbossen met veel dood hout kunnen soms zeldzame soorten bevatten.
Ook moerassen en wetlands hebben specifieke soorten zweefvliegen. De pendelzweefvliegen (Helophilus spp.) leven bij poelen of de waterzweefvlieg (Anasimyia spp.) die op waterplanten leven. Het is dan ook niet toevallig dat die soorten achteruitgaan omdat veel moerassen en wetlands verdwijnen.
Mimicry
Naast het zweven staan de zweefvliegen bekend als meesters in mimicry. Veel soorten hebben een uiterlijk ontwikkeld dat enorm goed lijkt op stekende insecten zoals wespen, bijen of hommels. Dit is een effectief verdedigingsmiddel tegen natuurlijke predatoren omdat die vaak geelzwarte insecten vermijden omdat ze kunnen steken of slecht smaken. Sommige soorten gaan zelf zo ver dat ze het gedrag kunnen nadoen alsof ze zouden steken of ze maken het brommend geluid van een boze wesp.
De grote fophommel (Sericomyia bombiformis) is één van de beste nabootsers in de natuur. Hij lijkt niet alleen enorm op een hommel, inclusief beharing, hij doet ook het gedrag na. Zowel de manier van vliegen als het geluid lijkt sprekend op een hommel waardoor hij heel gemakkelijk te verwarren is. Jammer genoeg is dit wel een zeldzame soort.
Belang voor natuurbehoud
Zweefvliegen zijn niet alleen ecologisch nuttig, maar ook belangrijke indicatorsoorten voor de kwaliteit van onze leefomgeving. Omdat de verschillende soorten heel specifieke eisen hebben aan hun leefgebied (bijvoorbeeld aanwezigheid van oud hout, zuiver water of bepaalde plantensoorten), geeft het voorkomen van verschillende zweefvliegen aan dat een ecosysteem gezond en divers is. In een oud bos met natte plekken, rottend hout en rijke plantenbegroeiing zullen tientallen verschillende soorten voorkomen. Rond intensieve landbouw vind je maar een paar algemene zweefvliegen die zich goed kunnen aanpassen.
Helaas staan zweefvliegen ook onder druk. Uit een evaluatie door het INBO blijkt dat in Vlaanderen bijna de helft van de zweefvliegsoorten bedreigd is of sterk achteruitgaat (Maes & Vanormelingen, 2021). Vooral soorten van wetlands en bloemrijke graslanden hebben het moeilijk door habitatverlies, verdroging en intensiever landgebruik. Soorten die gebonden zijn aan laagveenmoerassen, heide en oude graslanden verdwijnen in hoog tempo. Aan de andere kant zien we dat soorten van bossen het beter doen door natuurlijker bosbeheer met meer dood hout.
Klimaatverandering zorgt er bovendien voor dat zuidelijke soorten zoals de stadsreus en het geelbandkrieltje oprukken. Soorten die het liever koelen hebben trekken zich terug naar hoger gelegen gebieden.
Het behoud van zweefvliegen is belangrijk, niet alleen omwille van de soorten zelf maar ook vanwege de diensten die ze leveren. Ze behoren tot de meest cruciale wilde bestuivers van landbouwgewassen en wilde flora. Sommige gewassen zoals wortelen en uien zijn voor zaadzetting sterk afhankelijk van zweefvliegen als bestuiver.
