Home » Soorten » Vogels » Meeuwen » Zwartkopmeeuw

Zwartkopmeeuw

Ichthyaetus melanocephalus

Beschrijving

De zwartkopmeeuw is een middelgrote meeuw die meteen opvalt door zijn elegante verschijning en schone, contrastrijke tekening. In zomerkleed draagt hij een diepzwarte kap die scherp afsteekt tegen zijn helderwitte lijf en vleugels, veel donkerder dan de chocoladebruine kop van de kokmeeuw. Zijn poten en snavel zijn felrood, wat hem een levendige, bijna tropische uitstraling geeft. Buiten de broedtijd verliest hij de kap en blijft er slechts een donkere vlek achter bij het oor, waardoor hij soberder oogt.

In vlucht toont hij zijn zuiver witte vleugels met lichte grijstinten, zonder de zwarte vleugelpunten die je bij veel andere meeuwen ziet. Zijn vlucht is licht en sierlijk, en gaat vaak gepaard met zijn luide, schelle roep die in kolonies continu te horen is.

De zwartkopmeeuw is in Vlaanderen een zeldzame broedvogel, maar zijn aantallen nemen langzaam toe. Broedkolonies bevinden zich meestal in kustgebieden, op eilandjes of schelpenbanken in meren en slikken. Buiten het broedseizoen zie je hem vaker, vooral langs de kust of bij grote binnenwateren, waar hij zich bij andere meeuwen aansluit.

Zijn verschijning is altijd iets bijzonders: de zuivere witte vleugels, de felle rode accenten en de contrasterende zwarte kop maken de zwartkopmeeuw tot een van de meest elegante en verfijnde meeuwen van ons landschap.

Habitat

De zwartkopmeeuw is sterk gebonden aan kustgebieden en grote binnenwateren. In Vlaanderen broedt hij vooral in kolonies op eilandjes, zand- en schelpenbanken of in ondiepe meren waar hij veilig is voor roofdieren. Hij kiest plaatsen met een open karakter en een overvloed aan water in de buurt om te jagen. Buiten het broedseizoen zie je hem vaak langs de kust, in havens, bij plassen en in polders, waar hij zich soms mengt tussen kokmeeuwen en andere soorten.

Nestgedrag

De zwartkopmeeuw is een uitgesproken koloniebroeder. Hij vormt vaak gemengde kolonies samen met kokmeeuwen en visdieven, maar houdt meestal wat grotere afstand tussen de nesten. Het nest is een eenvoudig kuiltje in zand of schelpen, soms bekleed met wat gras of plantenmateriaal.

Vanaf april-mei legt het vrouwtje meestal 2 tot 3 eieren, gespikkeld en goed gecamoufleerd tegen de bodem. Beide ouders broeden en wisselen elkaar regelmatig af. Na zo’n drie weken komen de kuikens uit. Net als bij de kokmeeuw zijn het nestvlieders: ze lopen al snel rond, maar blijven afhankelijk van hun ouders die hen kleine prooien voeren, vaak insecten of kleine visjes.

De jongen zijn na drie tot vier weken vliegvlug. In de kolonie heerst in die periode een levendige drukte: overal roepende en bedelende jongen, ouders die vis aanbrengen en vogels die samen de kolonie fel verdedigen tegen indringers.

Foto’s