Beschrijving
De zwarte ruiter is een elegante steltloper die vooral tijdens de trek in Vlaanderen te zien is. Hij is middelgroot, slank en valt meteen op door zijn relatief lange, rode poten en rechte, fijne snavel. In zomerkleed is hij ronduit prachtig: donkergrijs tot bijna zwart met lichte stipjes en een gespikkelde borst. In winterkleed is hij veel subtieler, dan oogt hij grijzer en lichter, met een witte buik en donkere rug, waardoor hij gemakkelijker te verwarren is met andere ruitersoorten.
In vlucht herken je de zwarte ruiter aan de donkere bovenvleugels en lichte onderzijde, gecombineerd met een helder witte stuit en rug, wat hem duidelijk onderscheidt. Zijn roep – een scherp en melancholisch “tjuut-tjuut” – klinkt vaak wanneer hij opvliegt van een plas of moeras.
De zwarte ruiter is in Vlaanderen voornamelijk een doortrekker. Tijdens de lente en herfst strijkt hij neer in ondiepe plassen, overstroomde weilanden, slikken en schorren, waar hij foerageert op insecten, wormen en kleine kreeftachtigen. Broeden doet hij veel noordelijker, in de uitgestrekte moerassen en taiga’s van Scandinavië en Rusland. Slechts zelden blijft er een vogel in de zomer bij ons hangen.
Zijn verschijning is altijd bijzonder: een elegante, slanke steltloper met een krachtige roep en een fraai zomerkleed dat hem tot een van de mooiste doortrekkers onder de ruiters maakt.

Habitat
In de broedtijd leeft de zwarte ruiter in de uitgestrekte taiga- en toendra-gebieden van Scandinavië en Rusland. Hij kiest vochtige plekken met open moeras, drassige veenvelden en de oevers van meren en rivieren. Belangrijk is de combinatie van openheid en dekking: een nat, voedselrijk landschap met voldoende vegetatie om het nest te verbergen.
Tijdens de trek, wanneer hij in Vlaanderen verschijnt, zie je hem vooral in ondiepe plassen, overstroomde weilanden, slikken en schorren. Daar foerageert hij in ondiep water, vaak alleen of in kleine groepjes, waarbij hij al trippelend insecten, wormen en kleine kreeftachtigen van de bodem pikt.
Nestgedrag
Het nest van de zwarte ruiter ligt op de grond, meestal goed verborgen tussen gras, mos of lage struiken in de natte toendra. Het vrouwtje schraapt een kuiltje in de grond en bekleedt dit eenvoudig met plantenmateriaal.
De broedtijd begint in mei-juni, zodra de sneeuw verdwenen is en de korte noordelijke zomer aanbreekt. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren, die zij alleen bebroedt. Het mannetje vertrekt vaak al vroeg in het seizoen en speelt geen rol in de broedzorg.
Na ongeveer 3 weken komen de kuikens uit. Het zijn nestvlieders: direct na het uitkomen verlaten ze het nest en volgen ze hun moeder naar voedselrijke plekken. Ze zoeken zelf insecten en larven, maar blijven nog wekenlang afhankelijk van haar bescherming. Na drie tot vier weken zijn ze vliegvlug en klaar om mee te trekken naar zuidelijker streken.
De zwarte ruiter is dus een vogel van contrasten: in de broedtijd een verborgen soort in de uitgestrekte moerassen van het hoge noorden, maar in Vlaanderen tijdens de trek een opvallende, elegante steltloper die telkens weer een vleugje noordelijke wildernis meebrengt.

