Beschrijving
De wulp is de grootste steltloper van Europa en valt vooral op door zijn lange, sterk neerwaarts gebogen snavel. Daarmee speurt hij diep in de modder of het natte gras naar wormen, insecten en schelpdieren. Zijn verenkleed is overwegend bruinbeige met donkere strepen, waardoor hij goed opgaat in zijn omgeving. In vlucht herken je hem aan de lange vleugels, het witte achterlijf en de opvallende roep – een melancholisch, fluitend “woe-liep”, waaraan hij zijn naam te danken heeft.

Habitat
Qua habitat geeft de wulp de voorkeur aan uitgestrekte, natte graslanden, heidevelden en veengebieden om te broeden. Het nest is een eenvoudig kuiltje in de vegetatie. De broedperiode loopt van april tot juli, met doorgaans vier eieren die door beide ouders worden uitgebroed. De kuikens zijn nestvlieders en worden begeleid naar voedselrijke plekken, vaak in de nabijheid van water.
Buiten het broedseizoen trekt de wulp naar kustgebieden, slik- en zandplaten en estuaria, waar hij vaak in groepen foerageert. In de winter zie je hem vooral langs de kust en op kwelders, waar hij met zijn snavel diep in de bodem zoekt naar schelpdieren en kreeftachtigen.
Ecologie
De wulp staat in Vlaanderen en Nederland onder druk als broedvogel. Ooit was het een vrij algemene soort in natte graslanden en heidegebieden, maar door intensieve landbouw, ontwatering en verlies van open broedhabitat zijn de aantallen sterk gedaald. Ook verstoring door recreatie en predatie van nesten en kuikens spelen een rol.
De soort staat daarom op de Rode Lijst als kwetsbaar tot bedreigd. In kustgebieden zie je in de winter nog wel grote aantallen doortrekkende en overwinterende wulpen, maar de broedpopulatie is in veel gebieden inmiddels klein en versnipperd. Beschermingsmaatregelen zoals het behouden van natte graslanden, uitgesteld maaien, en het creëren van rustige broedplekken zijn cruciaal om de wulp te behouden als broedvogel in onze regio.
Nestgedrag
De wulp broedt van april tot juli, met de piek in mei. Het nest is een eenvoudig kuiltje op de grond, vaak tussen hoog gras of heide, zodat het goed verborgen ligt. Het legsel telt meestal vier eieren, die door beide ouders worden uitgebroed. De broedduur bedraagt ongeveer vier weken.
Na het uitkomen verlaten de kuikens meteen het nest; ze zijn nestvlieders en lopen zelfstandig rond om voedsel te zoeken. Toch blijven de ouders in de buurt om de jongen te begeleiden en te beschermen, vaak luid roepend en dreigend naar indringers. De jongen zijn na zo’n 5 tot 6 weken vliegvlug, afhankelijk van het weer en de voedselsituatie.

