Beschrijving
De witvlakvlinder is een opvallende nachtvlinder uit de familie van de tandvlinders (Erebidae), die in Vlaanderen en Nederland vrij algemeen voorkomt. Het mannetje is gemakkelijk te herkennen aan zijn roodbruine vleugels met een karakteristieke witte vlek halverwege de voorrand van de voorvleugel. De achtervleugels zijn lichter bruin en de randen zijn golvend, waardoor hij in vlucht een wat fladderende indruk maakt. De vrouwtjes zien er heel anders uit: zij hebben nauwelijks ontwikkelde vleugels en kunnen niet vliegen. Ze zijn lichtgrijs tot crème van kleur en blijven hun hele leven in of vlak bij de cocon waarin ze zijn verpopt.
De vlinder vliegt in juli en augustus, vooral in de avond en vroege nacht. Ondanks zijn felle kleur valt het mannetje niet altijd op: vaak zie je hem alleen als hij fladderend van struik naar struik vliegt, op zoek naar een vrouwtje dat feromonen verspreidt vanuit haar schuilplaats.
De witvlakvlinder is daarmee een bijzondere verschijning: het kleurige mannetje fladdert zichtbaar door het groen, terwijl het vleugelloze vrouwtje verborgen blijft. Samen met de harige rupsen die op allerlei bomen en struiken leven, maakt deze soort deel uit van het rijke nachtvlinderleven dat vaak pas opvalt als je er aandachtig naar kijkt.

Habitat
De witvlakvlinder houdt van bosranden, struwelen, parken en tuinen waar veel loofbomen en struiken groeien. Hij is niet kieskeurig en kan zowel in landelijke gebieden als in stedelijke omgevingen voorkomen. Overdag rusten de mannetjes vaak onopvallend tussen bladeren of takken, terwijl de vrouwtjes verborgen blijven in hun cocon.
Larve
De rupsen van de witvlakvlinder zijn bijzonder decoratief: ze hebben een zwart lijf met gele lengtestrepen, felgekleurde wratten en vier opvallende pluimachtige haarborsteltjes op hun rug. Dankzij hun dichte beharing worden ze ook wel “apenkopjes” genoemd.
Waardplanten
De rupsen voeden zich met bladeren van vooral eik, berk, wilg, sleedoorn en meidoorn. Meestal blijft de schade beperkt maar soms kunnen ze wel wat schade aanrichten aan de boom of struik.
