Home » Soorten » Vogels » Watervogels » Wintertaling

Wintertaling

Anas crecca

Beschrijving

De wintertaling is de kleinste eend van Europa, maar beslist een van de fraaiste. Het mannetje is in broedkleed een juweel: een kastanjebruine kop met een glanzende donkergroene oogstreep die naar achteren doorloopt, een beige borst met donkere spikkels en een opvallende smaragdgroene spiegel op de vleugel. Het vrouwtje is veel soberder, met een bruin gevlekt verenkleed dat haar uitstekend camoufleert tussen het riet. Opvallend bij beide geslachten zijn de kleine, fijne snavel en het snelle, nerveuze zwemgedrag.

Tijdens de herfst en winter is de wintertaling een zeer talrijke gast in Vlaanderen. Tienduizenden vogels uit het hoge noorden van Europa en Siberië zoeken onze rivieren, plassen, moerassen en overstromingsgebieden op om de koude maanden door te brengen. Ze foerageren in grote groepen in ondiep water en drassige weilanden, waar ze met hun kleine snavel algen, zaden en kleine waterdiertjes van het wateroppervlak en uit de sliklaag zeven.

Habitat

De wintertaling is een uitgesproken liefhebber van ondiep water. In de broedtijd in Scandinavië en Rusland kiest hij voor uitgestrekte toendra’s en vochtige moerasgebieden, vaak met lage begroeiing, graslanden en veenmoerassen. Kleine plassen, moerassige laagtes en oevers met voldoende dekking zijn essentieel, want daar vindt het vrouwtje geschikte plekken om te nestelen en de kuikens voedselrijke zones om snel op te groeien.

In Vlaanderen is de soort vooral een trek- en wintergast. Tijdens de koude maanden zie je hem in grote aantallen neerstrijken op plas-drasgebieden, overstroomde weilanden, polders en rivieren, waar hij samen met andere eenden in dichte groepen voedsel zoekt. Het zijn vaak honderden of zelfs duizenden vogels die gezamenlijk grazen of aan de waterkant foerageren.

Nestgedrag

De eigenlijke broedgebieden van de wintertaling liggen ver in het noorden, vooral in Scandinavië en Rusland, in uitgestrekte moerassen en toendra’s. Daar maakt het vrouwtje een eenvoudige nestkom op de grond, goed verborgen tussen dichte vegetatie of in struiken langs het water. Het nest wordt met gras en dons bekleed.

De broedtijd start meestal in mei-juni. Het vrouwtje legt gemiddeld 7 tot 10 eieren en neemt het broeden volledig voor haar rekening, ongeveer drie weken lang. Het mannetje vertrekt vaak al vroeg in het seizoen naar ruigtes of verzamelplaatsen om te ruien.

De kuikens zijn nestvlieders: zodra ze uit het ei kruipen, volgen ze hun moeder naar het water en kunnen ze meteen zelf kleine insecten en plantendelen opnemen. Na ongeveer 6 weken zijn ze vliegvlug en sluiten ze zich aan bij grotere groepen om later de lange trek naar het zuiden te ondernemen.

In Vlaanderen blijft de wintertaling doorgaans een doortrekker en wintergast; broedgevallen zijn uitzonderlijk. Toch is het een geliefde soort om te observeren: kleine, beweeglijke groepjes die in de wintermaanden in onze polders en waterrijke gebieden voor leven en beweging zorgen, vaak begeleid door hun fluitende, zilveren roep.

Foto’s