Beschrijving
De watersnip is een middelgrote steltloper die vooral opvalt door zijn lange, rechte snavel – bijna net zo lang als zijn lichaam diep is – waarmee hij in de modder naar wormen en insecten zoekt. Zijn verenkleed is een kunstwerk van bruin, zwart, beige en witte strepen en vlekken, dat hem een perfecte camouflage geeft in riet, gras en moerasvegetatie. Als hij roerloos tussen de planten staat, is hij bijna niet te zien.
Pas wanneer hij plots opvliegt, verraadt hij zich: met een schichtige, zigzaggende vlucht en een schor “kek-kek” schiet hij weg, om even verder weer neer te strijken. Dit schrikvluchtgedrag is typisch voor de soort en maakt dat veel vogelkijkers hem eerder opjagen dan rustig zien foerageren.
In Vlaanderen is de watersnip vooral een trek- en wintervogel, maar er broeden ook nog kleine aantallen in vochtige graslanden en moerassen. Hij is sterk afhankelijk van natte gebieden met zachte bodems, waar hij zijn lange snavel diep kan insteken om voedsel te vinden.
Een bijzonder fenomeen is zijn baltsvlucht in het voorjaar: mannetjes stijgen hoog op en storten zich dan naar beneden, waarbij lucht door de uitstaande buitenste staartveren giert en een vibrerend “mekkerend” geluid voortbrengt – het zogenaamde “hemelen”. Dit geluid is onmiskenbaar en een van de mooiste geluiden van het voorjaar in moerasgebieden.
De watersnip is daarmee een soort die je vaak pas ziet als hij verschrikt opvliegt, maar die in de juiste omstandigheden een verrassend rijk en indrukwekkend gedrag laat zien.

Habitat
De watersnip is sterk gebonden aan natte, voedselrijke graslanden, moerassen en veengebieden. Hij houdt van plekken met zachte, vochtige bodems waarin hij met zijn lange snavel kan boren naar wormen, insectenlarven en kleine kreeftachtigen. In Vlaanderen vind je hem in de broedtijd in vochtige hooilanden, drassige weiden en rietmoerassen. Tijdens de trek en in de winter komt hij ook voor in overstroomde polders, slikken en schorren. Zijn voorkeur voor natte gebieden maakt hem kwetsbaar: waar drainage en intensieve landbouw het landschap uitdrogen, verdwijnt vaak ook de watersnip.
Nestgedrag
De watersnip nestelt op de grond, goed verborgen tussen hoog gras, riet of andere oevervegetatie. Het nest is een eenvoudig kuiltje, bekleed met wat gras en bladeren, nauwelijks zichtbaar in de omgeving.
De broedtijd begint in april-mei. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren, die zij alleen bebroedt. Na zo’n drie weken komen de kuikens uit.
De jongen zijn nestvlieders: meteen na het uitkomen verlaten ze het nest en lopen ze zelfstandig rond, begeleid door het vrouwtje. Ze zoeken zelf voedsel in het natte grasland, maar blijven afhankelijk van haar bescherming. Al na een paar weken kunnen ze korte stukjes vliegen, en na ongeveer drie à vier weken zijn ze volledig vliegvlug.
In de broedtijd verraden mannetjes hun aanwezigheid door hun spectaculaire baltsvluchten: hoog de lucht in en dan naar beneden storten, waarbij het vibrerende “mekkerende” geluid van hun staartveren door het landschap klinkt – een geluid dat ooit kenmerkend was voor natte weiden in Vlaanderen, maar nu helaas steeds zeldzamer wordt.
