Home » Soorten » Vogels » Steltlopers » Tureluur

Tureluur

Tringa totanus

Beschrijving

De tureluur is een middelgrote steltloper die je vaak in moerassige gebieden, slikken en natte graslanden aantreft. Hij valt meteen op door zijn fel oranje-rode poten, waar hij ook zijn naam aan dankt. Het verenkleed oogt op afstand grijsbruin, maar dichterbij zie je een fijn patroon van lichte en donkere stipjes en streepjes. In vlucht herken je de soort goed aan de witte wig op de rug en de opvallende roep, een luid en herhaald “tjuu-tjuu-luur”.

Tijdens het broedseizoen kiest de tureluur voor natte weilanden of kwelders, waar hij zijn nest goed verstopt op de grond. Hij is erg waakzaam: bij verstoring alarmeert hij luid roepend andere vogels in de buurt. Buiten de broedtijd kun je grote groepen tureluurs zien foerageren op wadplaten en in ondiep water, waar ze met hun middel­lange, rechte snavel naar kleine wormen, insecten en schelpdieren zoeken.

Habitat

De tureluur voelt zich thuis in natte, open gebieden. Zijn favoriete habitat bestaat uit kwelders, slikplaten, schorren, moerassen en natte graslanden, waar hij voldoende voedsel kan vinden en veilige plekken heeft om te broeden. Tijdens het broedseizoen kiest hij vooral voor kruidenrijke, vochtige weilanden en moerassige hooilanden, vaak met greppels of ondiepe plassen. Daar bouwt hij een goed verborgen nest tussen het gras of lage vegetatie.

Buiten het broedseizoen verschuift zijn leefgebied naar kustgebieden: slikken, wadplaten en zandplaten die bij laag water droogvallen. Hier kan hij in grote groepen samen foerageren op wormen, slakjes en kreeftachtigen. In de winter zie je hem vaak in estuaria en getijdengebieden, maar ook in overstroomde polders en plas-dras-gebieden in het binnenland.

Nestgedrag

De tureluur broedt in onze streken van april tot juli, met een piek in mei. Het nest is een eenvoudig kuiltje op de grond, bekleed met wat gras of bladeren, goed verstopt tussen de vegetatie. Vaak ligt het in natte graslanden of op kwelders, waar hoog gras of kruiden bescherming bieden.

Het legsel bestaat meestal uit vier eieren, die beide ouders om beurten uitbroeden. De broedduur bedraagt ongeveer 3 à 4 weken. Zodra de kuikens uitkomen, zijn ze nestvlieders: ze kunnen meteen lopen en zelf voedsel zoeken, maar worden nog wel door de ouders bewaakt. Vooral het mannetje speelt een actieve rol in het verdedigen van het territorium en het luid alarmeren bij gevaar.

De jongen zijn na zo’n 25 tot 35 dagen vliegvlug, afhankelijk van het voedselaanbod en de weersomstandigheden.

Foto’s