Beschrijving
De smient is een middelgrote eend die vooral in de herfst en winter ons land opzoekt. Het mannetje is in broedkleed een bijzonder fraaie verschijning: een kastanjebruine kop met een opvallende gele kruinstreep, een grijze rug en flanken en een zachte, roze borst. Zijn roep is onmiskenbaar: een helder, fluitend “wie-oe”, dat vaak te horen is als er groepen smienten overvliegen of rusten op het water. Het vrouwtje is veel subtieler getekend, met een warmbruin, fijn gevlekt verenkleed dat haar uitstekend camoufleert, maar ook zij verraadt zich vaak door haar zachte roep.
De smient is een uitgesproken graseter onder de eenden. Anders dan veel andere soorten foerageert hij vooral op weilanden en graslanden, waar hij in groepen rustig graast alsof hij een gans is. Op het water rust hij vooral, vaak in grote gemengde groepen met andere eenden.
In Vlaanderen is de smient een talrijke wintergast. Vanaf oktober arriveren grote aantallen uit Noord- en Oost-Europa, en de soort blijft tot in maart-april aanwezig. Broeden doet hij niet bij ons, maar in het hoge noorden van Europa en Azië, in de toendra’s en taiga’s. Zijn verschijning in de winter, vaak in duizenden tegelijk, maakt hem tot een van de meest karakteristieke eenden van onze koude maanden.

Habitat
De smient is een vogel van open landschappen met water en graslanden. Tijdens de winter in Vlaanderen zie je hem vooral in polders, uiterwaarden en langs plassen en meren, waar hij vaak in grote groepen graast op weilanden. Op het water rust hij, meestal samen met andere eenden, maar het foerageren gebeurt vooral op land. Dit gedrag – grazen als ganzen – maakt hem bijzonder onder de eenden.
In de broedtijd, die plaatsvindt in het hoge noorden van Europa en Azië, kiest de smient voor natte graslanden, meren en moerassen in de toendra en taiga. Hij heeft een voorkeur voor rustige, uitgestrekte gebieden met lage vegetatie, waar hij voldoende beschutting vindt voor zijn nest.
Nestgedrag
Het nest van de smient ligt goed verborgen in gras of lage struiken, meestal op enige afstand van water. Het vrouwtje schraapt een kuiltje in de grond en bekleedt dit met gras en dons.
De broedtijd start in mei-juni, kort na het smelten van de sneeuw. Het vrouwtje legt meestal 7 tot 10 eieren, die zij alleen bebroedt. Het mannetje verlaat haar vaak na het leggen van de eieren en sluit zich aan bij andere mannetjes om te ruien.
Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit. Ze zijn nestvlieders en lopen vrijwel meteen met de moeder mee naar voedselrijke gebieden. De jongen zoeken zelf kleine insecten en waterdiertjes, terwijl de moeder hen beschermt. Na 6 tot 7 weken zijn de jongen vliegvlug, klaar om met de volwassenen terug naar het zuiden te trekken.
De massale groepen smienten die in de winter onze polders bevolken, zijn dus de eindbestemming van een lange reis vanuit de noordelijke toendra’s – een jaarlijks ritueel dat onze winterse wetlands een uniek geluid en kleur geeft.



