Home » Soorten » Vogels » Watervogels » Slobeend

Slobeend

Spatula clypeata

Beschrijving

De slobeend is een forse en wat plomp ogende eend die meteen opvalt door zijn buitengewoon brede, lepelvormige snavel. Die snavel is hét kenmerk van de soort en geeft hem een heel eigen uitstraling, alsof hij altijd met een glimlach rondzwemt. Het mannetje is in broedkleed bijzonder kleurrijk: een donkergroene kop, witte borst, kastanjebruine flanken en een opvallend blauwgrijze vleugelspiegel die in de vlucht goed te zien is. Het vrouwtje is bruin gevlekt, maar ook zij heeft die kenmerkende brede snavel waardoor ze goed van andere eenden te onderscheiden is.

De slobeend is gespecialiseerd in het filteren van voedsel uit het water. Terwijl hij met zijn brede snavel door het water schept, zeeft hij kleine waterdiertjes, plankton, zaden en insectenlarven uit de modder en het oppervlak. Vaak zie je hem in groepjes foerageren, rustig heen en weer slobberend in ondiep water.

In Vlaanderen is de slobeend een algemene broedvogel en wintergast. Hij broedt vooral in moerassen, plassen en sloten met veel oevervegetatie, maar in de winter is hij ook te vinden op grotere open wateren, vaak samen met andere grondeleenden. Zijn logge silhouet, brede snavel en kleurrijke verschijning maken hem tot een van de meest opvallende eenden van onze wetlands.

Habitat

De slobeend houdt van ondiepe, rustige wateren met een rijke begroeiing. Je vindt hem in moerassen, plassen, sloten en overstroomde weilanden, maar ook in polders en uiterwaarden. Belangrijk is dat er veel voedselrijk water aanwezig is, want zijn brede snavel is gemaakt om kleine diertjes, plankton en zaden uit het water te filteren. In de winter verschijnt hij in grotere groepen ook op open meren en estuaria, waar hij vaak gemengd optrekt met andere grondeleenden zoals wilde eend, wintertaling en krakeend.

Nestgedrag

De slobeend nestelt op de grond, goed verborgen in dichte vegetatie langs oevers of in ruige graslanden vlak bij water. Het nest is een eenvoudige kom van gras en bladeren, rijk bekleed met dons.

De broedtijd begint in april-mei. Het vrouwtje legt meestal 8 tot 12 eieren, die zij alleen bebroedt. Het mannetje blijft vaak nog een tijdje in de buurt, maar neemt geen deel aan het broeden en sluit zich al snel aan bij andere mannetjes in rui- en rustgroepen.

Na ongeveer drie weken komen de kuikens uit. Het zijn nestvlieders en volgen hun moeder vrijwel meteen naar het water, waar ze zelfstandig voedsel zoeken maar nog sterk afhankelijk blijven van haar bescherming. Dankzij hun brede snaveltjes kunnen ook jonge slobeenden al goed filteren. Na zes tot zeven weken zijn de jongen vliegvlug.

Door hun verborgen nestplekken en stille broedgedrag vallen broedende slobeenden niet snel op. In de winter daarentegen vormen ze met honderden tegelijk kleurrijke groepen die samen slobberend door de ondiepe plassen trekken – een levendig tafereel in onze wetlands.

Foto’s