Beschrijving
De rietgors is een kleine, robuuste zangvogel die je vaak tegenkomt in natte gebieden. Het mannetje is in de broedtijd gemakkelijk te herkennen: hij draagt een zwart kapje en kin, scherp afgetekend tegen zijn witte keel en kraag, met daaronder een bruin gestreept lijf. Het vrouwtje is veel subtieler gekleurd, met bruinige strepen en een bescheidener koptekening, waardoor ze uitstekend camoufleert tussen het riet.
Zijn zang is eenvoudig en bescheiden: een kort, herhaaldend riedeltje, maar juist daardoor goed herkenbaar. Je hoort het vaak vanaf een rietstengel of struikje, waar het mannetje rechtop zit te zingen om zijn territorium te markeren. In vlucht en gedrag doet hij denken aan een vinkachtige, maar dan met een uitgesproken voorkeur voor natte biotopen.

Habitat
De rietgors leeft in rietvelden, moerassen en vochtige ruigten, maar ook in sloten met rietkragen of drassige akkers. In de winter trekt hij naar open velden en akkers, waar hij in groepjes zaden zoekt op de grond. Daardoor is hij in Vlaanderen het hele jaar door te zien, al verschilt zijn leefgebied sterk per seizoen.
Nestgedrag
De rietgors bouwt zijn nest goed verborgen, laag bij de grond of vlak boven het water. Vaak ligt het verscholen tussen dichte graspollen, rietstengels of in struikachtige vegetatie langs sloten en moerassen. Het vrouwtje is de architect: zij vlecht een stevig kommetje van gras, riet en bladeren, dat ze aan de binnenkant zorgvuldig bekleedt met fijne stengels en haren.
Vanaf april tot in juli legt ze meestal 4 tot 5 eieren, die ze grotendeels zelf bebroedt. Het mannetje speelt in deze periode vooral de rol van waakzame zanger en territoriumbewaker: hij zit op een rietstengel of struik in de buurt en laat zijn eenvoudige, herhaalde zang horen als signaal dat het gebied bezet is.
Na ongeveer twee weken komen de kuikens uit, kleine hongerige bekjes die onafgebroken gevoerd worden met insecten. Beide ouders vliegen af en aan met muggen, kevers en rupsen, die ze diep in het nest laten verdwijnen. Na nog eens twaalf tot vijftien dagen verlaten de jongen het nest. Ze zijn dan nog niet volledig zelfstandig, maar worden nog een tijdje door de ouders begeleid terwijl ze leren zelf voedsel te zoeken.
Omdat de rietgors meerdere legsels per seizoen kan grootbrengen, kan een geschikte rietkraag of moerashoek wekenlang gonzen van de bedrijvigheid, zelfs al lijkt het van buitenaf stil en onopvallend.

