Beschrijving
De reuzenzwam doet zijn naam alle eer aan: hij vormt enorme bundels van tientallen tot honderden waaiervormige hoeden die samen een zwamtoef kunnen vormen met een diameter van meer dan een meter. De afzonderlijke hoeden zijn 10 tot 30 cm breed, dun en waaier- tot rozetvormig, met een concentrische tekening in licht- tot donkerbruin. De rand is vaak witachtig en golvend.
De onderzijde bestaat uit fijne, witte buisjes met poriën die bij aanraking snel zwart verkleuren – een belangrijk determinatiekenmerk. Het vlees is wit en zacht bij jonge exemplaren, maar taai en snel donker verkleurend bij ouderdom.

Habitat
De reuzenzwam groeit vooral aan de voet van beuken, maar soms ook bij andere loofbomen zoals eik of linde. Hij verschijnt in de nazomer en herfst, vaak als grote rozetten rond de stamvoet of op boomwortels. De vruchtlichamen kunnen meerdere weken blijven staan, al verkleuren ze steeds donkerder naarmate ze verouderen.
Ecologie
De reuzenzwam is zowel een parasiet als een saprofyt. Als parasiet tast hij vooral de wortels van loofbomen aan, met een duidelijke voorkeur voor beuken. Hij veroorzaakt witrot, waarbij lignine en cellulose in het hout worden afgebroken. Daardoor verliezen de wortels en stamvoet hun stevigheid.
Wanneer een boom zichtbaar aangetast is door reuzenzwam, wordt hij vaak als instabiel en risicovol beschouwd. Vooral bij beuken kan dit leiden tot plotselinge windworp of omvallen, zelfs als de boom er boven de grond nog relatief gezond uitziet. Daarom wordt bij de vondst van reuzenzwam aan de voet van een boom in stedelijke omgeving of langs paden vaak geadviseerd om de boom te kappen of sterk te snoeien om gevaar te vermijden.
Na de dood van de gastheer leeft de reuzenzwam verder als saprofyt, waarbij hij dood hout verder afbreekt en zo voedingsstoffen terugbrengt in de bodem.


