Beschrijving
De ransuil is een mysterieuze en elegante uil die vaak onopgemerkt in ons landschap aanwezig is. Hij is middelgroot, slank gebouwd en valt meteen op door zijn lange oorpluimen, die hem een streng, bijna katachtig voorkomen geven. Zijn verenkleed is prachtig gemarmerd in bruin, grijs en roestige tinten, een perfecte camouflage tussen boomtakken of in een dicht dennenbos. Alleen zijn feloranje ogen verraden hem, brandend als vuurtjes in het schemerlicht.
Overdag zit de ransuil meestal stil verscholen in bomen, vaak dicht bij de stam en vaak in groepen in de winter, wat we slaapplaatsen noemen. Pas in de schemering komt hij tot leven: dan zweeft hij geruisloos uit, met soepele, trage vleugelslagen en een rechte, doelgerichte vlucht. In het donker jaagt hij vooral op muizen, die hij met zijn scherpe gehoor feilloos weet te vinden.
In Vlaanderen is de ransuil een algemene broedvogel, maar toch zie je hem niet vaak: zijn stille, verborgen leefwijze maakt dat hij vooral ontdekt wordt door zijn roep in de lente of door braakballen die onder zijn slaapplaatsen liggen. Zijn zachte, melancholische “hoe… hoe…” klinkt in de schemering en geeft hem een geheimzinnige aanwezigheid in het landschap.

Habitat
De ransuil houdt van halfopen landschappen waar bosjes en houtkanten afwisselen met open velden en weilanden. Hij heeft bomen nodig om overdag beschut te rusten en te broeden, maar jaagt bij voorkeur boven open terrein waar hij makkelijk muizen kan vangen. Daardoor vind je hem vaak langs bosranden, in parken, in kleine naaldhoutpercelen of in lanenbomen. In de winter gebruikt hij ook dichte naaldbomen als rustplek en vormt hij soms slaapgroepen met meerdere soortgenoten – een bijzonder tafereel dat je vooral in stille bossen en begroeide parken kunt ontdekken.
Nestgedrag
De ransuil bouwt zelf geen nest. In plaats daarvan gebruikt hij vaak oude nesten van kraaien, eksters of roofvogels, hoog in bomen en liefst dicht bij open jachtgebied. Soms nestelt hij ook in dichte klimop tegen een boom of op een beschut plekje in een conifeer.
Vanaf maart-april begint de broedperiode. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 5 eieren, die zij alleen uitbroedt, terwijl het mannetje voor voedsel zorgt. Na zo’n vier weken komen de kuikens uit. Ze groeien snel en na een paar weken kruipen ze al uit het nest en klauteren ze onhandig rond in de takken eromheen. In die fase hoor je hun hese, zeurderige bedelroep vaak in de avond, terwijl de ouders onvermoeibaar muizen aandragen.
Na ongeveer 5 à 6 weken beginnen de jonge ransuilen echt te vliegen, al blijven ze vaak nog wekenlang in de buurt van hun ouders om bij te leren. Hun aanwezigheid wordt dan vaak verraden door groepjes van roepende jonge uilen die verspreid in de bomen zitten, een magische ervaring voor wie er toevallig op stuit.

