Home » Soorten » Vogels » Reigers » Ralreiger

Ralreiger

Ardeola ralloides

Beschrijving

De ralreiger is een kleine, compacte reiger die door zijn warme kleuren meteen een heel andere indruk maakt dan onze vertrouwde blauwe of zilverreigers. In broedkleed is zijn kop en borst zacht crème tot bijna goudkleurig, terwijl de rug en vleugels meer kastanjebruin getint zijn. De snavel kleurt dan fel geelgroen en op de kop draagt hij in de broedtijd lange, sierlijke sierpluimen die elegant achterover waaien. In vlucht herken je hem aan zijn korte, brede vleugels die opvallend wit lijken, waardoor hij plots lichter oogt dan wanneer hij stil tussen het riet staat.

De ralreiger is een trekvogel en bij ons een zeldzame zomergast. In Vlaanderen kun je hem slechts sporadisch tegenkomen, meestal in mei of juni, wanneer vogels onderweg zijn naar of van hun broedgebieden. Zijn verspreiding ligt vooral zuidelijker in Europa, rond moerassen, rietvelden en visrijke meren. Daar jaagt hij traag en bedachtzaam, vaak laag bij de grond, speurend naar kikkers, insecten en kleine vissen.

Zijn verborgen levenswijze maakt hem gemakkelijk te missen. Vaak zit hij onbeweeglijk tussen riet of struiken, perfect gecamoufleerd in zijn warme tinten. Pas als hij opvliegt en zijn witte vleugels toont, merk je dat je een bijzondere verschijning voor je hebt.

Habitat

De ralreiger leeft vooral in uitgestrekte moerassen, rietvelden en visrijke plassen, vaak in warmere streken van Zuid- en Oost-Europa. Hij houdt van gebieden waar water en dichte oevervegetatie samenkomen: plekken met rietkragen, wilgenbosjes of drassige velden. Daar kan hij zich goed verschuilen, want de ralreiger vertrouwt sterk op zijn camouflage. Hij blijft vaak roerloos tussen de stengels staan, zijn kop en snavel omhoog gericht, waardoor hij haast opgaat in zijn omgeving. In Vlaanderen zie je hem enkel uitzonderlijk, als zeldzame doortrekker tijdens de lente of zomer.

Nestgedrag

De ralreiger broedt in kolonies, vaak samen met andere reigers, lepelaars of aalscholvers. Zijn nest ligt laag boven het water, meestal in dicht riet of in struiken en wilgen langs de oever. Het bestaat uit een slordige maar stevige basis van takjes en rietstengels.

Vanaf april-mei legt het vrouwtje meestal 4 tot 5 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na ruim drie weken komen de jongen uit. In het begin zijn ze nog kaal en kwetsbaar, maar groeien snel dankzij de constante aanvoer van voedsel door beide ouders. Ze krijgen voornamelijk visjes, amfibieën en insecten voorgeschoteld.

Na ongeveer 4 tot 5 weken verlaten de jongen het nest. Vaak zie je ze dan klimmen en klauteren in het riet rondom, voordat ze echt goed kunnen vliegen. In de kolonie is het een levendig schouwspel: jongen die luidruchtig bedelen, ouders die af en aan vliegen, en overal het geroep en geklepper van andere reigers.

Foto’s