Home » Soorten » Vogels » Steltlopers » Paarse strandloper

Paarse strandloper

Calidris maritima

Beschrijving

De paarse strandloper is een compacte, middelgrote steltloper die vooral in de wintermaanden langs onze kusten verschijnt. Zijn naam dankt hij aan de subtiele paarse glans die in het juiste licht over zijn donkergrijze veren speelt, al oogt hij vanop afstand meestal sober grijsbruin. Hij heeft een stevige, iets naar beneden gebogen snavel en korte gele poten, waarmee hij behendig over rotsen en zeeweringen trippelt.

Zijn gedrag maakt hem tot een typische wintergast van de kust. Terwijl de branding tegen de stenen slaat, zie je hem onverstoorbaar foerageren tussen schelpen, wieren en stenen, op zoek naar schelpdieren, kreeftachtigen en insectenlarven. Hij is vaak in kleine groepjes aanwezig en mengt zich soms met andere steltlopers, maar valt op door zijn bedrijvige, rustige manier van foerageren.

De paarse strandloper is bij ons een wintergast en doortrekker. Hij broedt hoog in het noorden, in de toendra’s van Scandinavië, IJsland en Siberië, en verschijnt vanaf oktober langs de Vlaamse kust. Tot maart-april blijft hij in havens, strekdammen en rotskusten aanwezig, waarna hij weer noordwaarts trekt.

Zijn verschijning in de winter geeft onze kust een vleugje noordse wildernis: een vogel die duizenden kilometers aflegt en hier zijn energie aanvult in de gure zeewind, rustig trippelend tussen stenen en schuim.

Habitat

In de winter zie je de paarse strandloper bij ons vrijwel uitsluitend op rotsige kusten, strekdammen, havens en zeeweringen. Hij kiest plekken waar hij tussen stenen en wier kan zoeken naar kleine prooien, vaak dicht bij de branding en soms letterlijk in het opspattende zeewater. Zijn voorkeur voor harde, steenachtige kusten onderscheidt hem van veel andere steltlopers, die meer in slik en zand te vinden zijn.

In de broedtijd verplaatst hij zich naar het verre noorden: de Arctische toendra’s van Scandinavië, IJsland en Siberië. Daar broedt hij in een compleet ander landschap – uitgestrekte, kale vlaktes met mos, gras en lage struiken, vaak niet ver van natte plekken zoals poelen en beekjes.

Nestgedrag

De paarse strandloper broedt in een korte, intensieve zomer. Het nest is een eenvoudige kuil in de grond, bekleed met wat gras en mos, goed gecamoufleerd tussen de vegetatie van de toendra. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren in juni, zodra de sneeuw grotendeels verdwenen is.

Het zijn vooral de mannetjes die het broeden voor hun rekening nemen – een bijzonder kenmerk bij deze soort. Na ongeveer drie weken komen de kuikens uit. Ze zijn nestvlieders en lopen vrijwel direct rond, op zoek naar voedsel in de omgeving, al blijven ze beschermd en begeleid door hun vader.

De jongen zijn na drie tot vier weken vliegvlug, net op tijd om de korte noordelijke zomer optimaal te benutten. Al snel daarna begint de lange trek terug naar zuidelijker kusten, waarbij ook de Vlaamse kust een belangrijk winterkwartier vormt.

Foto’s