Beschrijving
De meerkoet is een stevige watervogel die je haast overal in Vlaanderen kunt tegenkomen, van stadsparken en vijvers tot grote plassen en rivieren. Op het eerste gezicht lijkt hij wat op een zwarte eend, maar zijn uiterlijk is onmiskenbaar: een volledig zwart verenkleed met een opvallend witte snavel en voorhoofdsschild. Zijn rode ogen geven hem een felle, alerte blik. In het water zwemt hij met een krachtige, ietwat stugge slag, en bij het opstijgen zie je hoe hij met luid gespetter over het water rent voordat hij echt de lucht in komt.
De meerkoet is niet de meest elegante verschijning, maar hij is wel een van de meest succesvolle en algemene watervogels. Hij leeft van waterplanten, algen en soms kleine waterdiertjes, die hij met zijn snavel van de bodem of het wateroppervlak plukt. Opvallend zijn zijn grote, gelobde tenen – geen zwemvliezen zoals bij eenden, maar losse lobben die hem toch uitstekend laten zwemmen en door de modder laten lopen.
In Vlaanderen is de meerkoet een standvogel, het hele jaar door aanwezig. In de winter trekken er bovendien vogels uit Noord- en Oost-Europa naar onze streken, waardoor de aantallen dan nog hoger liggen. Zijn harde, schreeuwerige “kek-kek”-roep klinkt vaak door parken en plassen, en wie wel eens twee meerkoeten ziet vechten weet hoe fel en luidruchtig ze hun territorium verdedigen.
De meerkoet is daarmee misschien geen sierlijke schoonheid, maar wel een onverzettelijke overlever: luid, energiek en onverwoestbaar aanwezig in ons waterrijke landschap.

Habitat
De meerkoet is een echte alleskunner van het zoete water. Je vindt hem in bijna elk type water in Vlaanderen: van kleine parkvijvers en grachten tot grote plassen, rivieren en kanalen. Belangrijk voor hem is dat er voldoende waterplanten aanwezig zijn, want die vormen zijn hoofdvoedsel. Hij graast aan de oppervlakte, maar kan ook korte stukjes duiken om ondergedoken vegetatie te bereiken. In de winter zie je vaak grote groepen meerkoeten samen, soms honderden vogels bij elkaar, die gezamenlijk foerageren of rusten op open water.
Nestgedrag
De meerkoet bouwt zijn nest als een drijvend platform van takken en planten, stevig verankerd tussen riet of takken langs de oever. Soms ligt het nest midden in het water, andere keren op een tak boven het water. Hij is berucht om zijn inventiviteit: nesten verschijnen ook wel eens op vreemde plekken, zoals op boten of steigertjes.
De broedtijd begint vroeg, vaak al in maart, en kan doorlopen tot in de zomer. Het vrouwtje legt meestal 6 tot 10 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na zo’n drie weken komen de kuikens uit.
De jongen zijn nestvlieders en springen kort na het uitkomen al het water in. Ze zijn echter opvallend: zwart met een feloranje kopje en roodachtige donspluimpjes, waardoor ze meteen opvallen. Beide ouders voeren en beschermen de kuikens, maar soms zijn ze streng – bij voedseltekort kunnen ze de zwakste jongen zelfs verwaarlozen of wegjagen.
Na 6 tot 8 weken zijn de jongen vliegvlug en sluiten ze zich aan bij de grotere groepen meerkoeten. Hun luidruchtige aanwezigheid en soms felle onderlinge gevechten maken dat een meerkoetkolonie altijd gonst van bedrijvigheid.




