Beschrijving
De lepelaar is een grote, elegante verschijning die je van veraf meteen herkent aan zijn bijzondere snavel: lang, recht en aan het uiteinde breed afgeplat tot een soort lepel. Met die snavel zwaait hij langzaam heen en weer door ondiep water, terwijl hij kleine vissen, waterinsecten en kreeftachtigen filtert. Zijn verenkleed is volledig wit, waardoor hij in de zon haast lichtgevend lijkt. In broedkleed heeft hij bovendien een fraaie gele borstvlek en een sierlijke kuif in de nek, wat hem een bijna exotische uitstraling geeft.
In vlucht oogt de lepelaar statig, met gestrekte nek en poten en brede, rustige vleugelslagen. Groepen vliegende lepelaars zijn indrukwekkend om te zien, vaak in losse formaties die doen denken aan reigers, maar met een veel rechtere houding.
In Vlaanderen is de lepelaar een zomer- en broedvogel, die vanaf maart-april terugkeert uit zijn overwinteringsgebieden in Zuid-Europa en Afrika. Hij broedt in moerassen, rietvelden en op eilanden, vaak in kolonies samen met andere kolonievogels zoals aalscholvers en reigers. Buiten de broedtijd zie je hem in ondiepe plassen, slikken, schorren en polders, waar hij foerageert in groepen.
Met zijn witte verschijning, statige vlucht en unieke jachttechniek is de lepelaar een van de meest opvallende en karakteristieke vogels van onze wetlands.

Habitat
De lepelaar houdt van ondiepe, waterrijke gebieden met veel vis en ongewervelden. Je vindt hem in moerassen, meren, rietvelden, slikken, schorren en poldersloten, zolang er maar voedselrijk water aanwezig is. Met zijn lepelvormige snavel zwaait hij voortdurend heen en weer, waarbij hij op tast kleine prooien uit het water filtert.
In Vlaanderen is de soort vooral te vinden in grote wetlands zoals het Zwin, de Oostkustpolders en het Uitkerkse gebied. Tijdens de trek en buiten de broedtijd strijkt hij ook neer in overstroomde weilanden en brakke lagunes, vaak in groepen van tientallen vogels.
Nestgedrag
De lepelaar broedt in kolonies, vaak samen met andere watervogels zoals aalscholvers, reigers en meeuwen. Het nest ligt meestal in rietvelden, op eilandjes of in lage struiken boven het water. Het bestaat uit een stevig platform van riet en takken, telkens opnieuw uitgebouwd en hergebruikt.
De broedtijd loopt van april tot juli. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit. Ze worden intensief gevoerd met halfverteerd voedsel dat de ouders opbraken.
De jongen groeien snel en verlaten na 6 tot 7 weken het nest, maar blijven nog een tijdje afhankelijk van de ouders. In de kolonie heerst altijd drukte: luide roepjes, bedelende jongen en het onafgebroken komen en gaan van ouders met voedsel.
De lepelaar is in Vlaanderen een succesverhaal: waar de soort vroeger zeldzaam was, is hij de laatste decennia sterk toegenomen dankzij natuurherstel en betere bescherming van broedgebieden. Vandaag is het zien van groepen lepelaars in onze wetlands een vertrouwd én spectaculair gezicht.

