Beschrijving
De kuifeend is een middelgrote duikeend die je meteen herkent aan zijn opvallende uiterlijk. Het mannetje is onmiskenbaar: zwart met een witte flank, een gele iris en boven op zijn kop een sierlijke, afhangende kuif die hem zijn naam geeft. In het zonlicht glimt zijn zwarte verenkleed vaak paars of groenachtig. Het vrouwtje is soberder gekleurd, donkerbruin met een kortere, vaak wat rommelige kuif, maar ook zij heeft die felle, gele ogen die haar een scherpe blik geven.
De kuifeend is een echte duiker. In plaats van voedsel aan de oppervlakte te zoeken, duikt hij onder water, soms wel twintig seconden lang, op zoek naar schelpdieren, slakken, insectenlarven en kleine kreeftachtigen. Je ziet hem vaak in groepjes op meren en vijvers, waarbij telkens een paar vogels onderduiken en even later weer opduiken, vaak een eindje verder.
In Vlaanderen is de kuifeend een algemene broedvogel in vijvers, plassen en kanalen. In de winter neemt zijn aantal sterk toe doordat vogels uit Noord- en Oost-Europa hier komen overwinteren. Dan zie je soms grote groepen op grotere wateren, waar ze samen duiken en rusten. Zijn combinatie van elegantie en bedrijvigheid maakt de kuifeend tot een van de meest kenmerkende eenden van onze vijvers en plassen.

Habitat
De kuifeend voelt zich thuis op stilstaande of langzaam stromende wateren met voldoende diepte om te duiken en liefst een oever met riet of andere vegetatie om in te nestelen. Je vindt hem in vijvers, kanalen, plassen, stadsparken en natuurgebieden. In de winter zoekt hij ook grotere meren, estuaria en zelfs de kust op, waar hij vaak in grote groepen te zien is. Zijn aanwezigheid neemt in Vlaanderen sterk toe in de koudere maanden, wanneer duizenden vogels uit Noord- en Oost-Europa hier komen overwinteren.
Nestgedrag
De kuifeend nestelt meestal goed verborgen in dichte oevervegetatie of tussen struiken langs het water. Het nest is een kom van gras, riet en bladeren, dik bekleed met dons dat het vrouwtje uit haar borst plukt. Soms kiest ze ook meer onverwachte plekken, zoals in tuinen of op beschutte plekken in stadsparken.
De broedtijd start in april-mei. Het vrouwtje legt meestal 8 tot 11 eieren, die zij alleen uitbroedt. Het mannetje blijft vaak in de buurt, maar bemoeit zich weinig met het broeden. Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit.
De jongen zijn nestvlieders en verlaten kort na het uitkomen het nest om met de moeder het water op te gaan. Ze worden door haar geleid en beschermd, terwijl ze zelf kleine insecten en waterdiertjes zoeken. Soms voegen meerdere vrouwtjes hun jongen samen in een soort crèche, waarin tientallen kuikens gezamenlijk worden verzorgd en bewaakt.
Na zes tot zeven weken zijn de jongen vliegvlug, maar vaak blijven ze nog een tijdje in de buurt van hun moeder of de groep. Het levendige beeld van tientallen kuifeenden die synchroon duiken en weer bovenkomen, is typisch voor de zomer- en wintermaanden op onze vijvers en plassen.


