Home » Soorten » Insecten » Vlinders » Nachtvlinders » Kolibrievlinder

Kolibrievlinder

Macroglossum stellatarum

Beschrijving

De kolibrievlinder is een fascinerende dagactieve nachtvlinder, die zijn naam dankt aan de manier waarop hij zich gedraagt: als een kleine kolibrie zweeft hij stil in de lucht voor bloemen, terwijl hij met zijn lange roltong nectar opzuigt. Met zijn snelle vleugelslag – wel 80 keer per seconde – lijkt hij te trillen in de lucht, en zijn vleugels maken een zoemend geluid dat je vaak al hoort voordat je hem ziet.

Het uiterlijk van de kolibrievlinder is grijsbruin tot roestbruin, met donkere vlekken op de voorvleugels en oranjerode achtervleugels die in de vlucht fel oplichten. Zijn lichaam is stevig en behaard, met een opvallende, harige “staartpluim” die doet denken aan de staart van een kolibrie. Het is een soort die zich razendsnel verplaatst en vaak meerdere keren per dag tussen bloemen en tuinen opduikt.

De meeste kolibrievlinders sterven in de winter, maar tijdens zachte winters overleven er soms enkele in ons land. Elk jaar arriveren nieuwe migranten uit het zuiden, waardoor de soort in Vlaanderen vrij algemeen te zien is.

Habitat

De kolibrievlinder is een trekvlinder, die in grote aantallen vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika naar onze streken komt. Je ziet hem vooral in de zomer en nazomer, soms tot diep in de herfst wanneer de temperaturen zacht blijven. Hij houdt van bloemrijke tuinen, parken, dijken en akkerranden waar nectarplanten rijkelijk bloeien. Vooral bloemen met lange buisjes, zoals vlinderstruik, kamperfoelie, lavendel, leeuwenbek en petunia, zijn favoriet.

Omdat hij zo goed kan zweven en gericht kan drinken met zijn lange tong, bezoekt hij bloemen zonder erop te landen – een eigenschap die hem uniek maakt onder de Europese vlinders.

Waardplanten

De rupsen van de kolibrievlinder leven vooral op walstrosoorten (Galium), maar ook op weegbree en soms op andere kruidachtige planten. Ze zijn frisgroen met een fijne witte lijn langs de zijkant en een klein blauwachtig “staartje”.

De vrouwtjes zetten hun eieren afzonderlijk af op jonge scheuten van de waardplant. Na het uitkomen eten de rupsen vooral ’s nachts. Ze groeien in enkele weken uit tot forse rupsen en verpoppen zich in de strooisellaag of in losse aarde. In warme zomers kunnen er twee tot drie generaties zijn.

Foto’s