Home » Soorten » Vogels » Meeuwen » Kokmeeuw

Kokmeeuw

Chroicocephalus ridibundus

Beschrijving

De kokmeeuw is een van de meest vertrouwde meeuwen in ons landschap en toch vaak verkeerd begrepen. Hij is kleiner en eleganter dan de zilvermeeuw of stormmeeuw, met een slank lijf en sierlijke, spitse vleugels. In de broedtijd is hij gemakkelijk te herkennen: dan draagt hij een diep chocoladebruine kop (die vanop afstand bijna zwart lijkt), felrode poten en een rode snavel. Buiten het broedseizoen verdwijnt die donkere kap en blijft er enkel een donkere vlek achter bij het oor, waardoor hij dan veel eenvoudiger oogt.

Zijn vlucht is licht en wendbaar, vaak met snelle, soepele vleugelslagen. Kokmeeuwen zijn echte alleseters: ze scharrelen in weilanden naar wormen, foerageren op akkers achter ploegen, en zijn net zo goed te vinden in steden, op vuilnisbelten of in havens waar voedsel te rapen valt. Hun roep is schel en luid, een herkenbaar gekrijs dat vaak in groep klinkt boven plassen en meren.

In Vlaanderen is de kokmeeuw een talrijke broedvogel en standvogel, al trekken veel exemplaren in de winter zuidwaarts en krijgen we tegelijk bezoekers uit Noord- en Oost-Europa. Zo lijkt hij er altijd te zijn, het hele jaar door, of het nu in grote kolonies in moerassen is of in stadsparken waar hij tussen de eenden zwemt.

Habitat

De kokmeeuw is een echte alleskunner en daardoor bijna overal te vinden. Hij voelt zich thuis in moerassen, plassen, rivieren en kustgebieden, maar net zo goed op akkers, weilanden of stadsparken. In de broedtijd zoekt hij grote waterplassen of moerassen op met eilandjes of uitgestrekte rietvelden, waar hij veilig in kolonies kan broeden. Buiten het broedseizoen wordt hij veel algemener en opportunistischer: dan zie je hem in groepen foerageren op landbouwgrond, in havens of zelfs op vuilnisbelten, altijd op zoek naar gemakkelijk voedsel.

Nestgedrag

De kokmeeuw broedt in grote kolonies, soms met duizenden vogels bij elkaar, wat zorgt voor een luidruchtig en levendig spektakel. Het nest is een eenvoudig hoopje van gras, riet en ander plantaardig materiaal, gebouwd op een eilandje, drijvend vegetatiebed of in ondiep water.

Vanaf april begint het broedseizoen. Het vrouwtje legt meestal 2 tot 3 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na zo’n 3 weken komen de kuikens uit. Ze zijn nestvlieders: al snel verlaten ze het nest en scharrelen rond in de vegetatie, maar blijven afhankelijk van de zorg van hun ouders.

Na ongeveer 4 tot 5 weken zijn de jongen vliegvlug. In de kolonie is het in die periode een drukte van jewelste: overal bedelende jongen, luid roepende ouders en een constante beweging van vogels die af en aan vliegen met voedsel. Ondanks de chaos heerst er een zekere orde, en de gezamenlijke verdediging van de kolonie maakt dat roofdieren meestal weinig kans krijgen.

De kolonies van kokmeeuwen zijn vaak een teken van levendigheid in moerasgebieden, en hun aanwezigheid wijst op de rijkdom en dynamiek van zulke ecosystemen.

Foto’s