Home » Soorten » Vogels » Zangvogels » Kneu

Kneu

Linaria cannabina

Beschrijving

De kneu is een kleine zangvogel uit de vinkachtigen, die vooral opvalt door zijn zachte maar toch kleurrijke verschijning. Het mannetje draagt in de broedtijd een roodroze borst en voorhoofd, contrasterend met zijn grijsbruine kop en rug en witte buik. Het vrouwtje mist deze rode tinten en is overwegend bruin met subtiele strepen, wat haar een veel soberder uiterlijk geeft. De kneu heeft een kleine, kegelvormige snavel, ideaal om zaden te kraken, en beweegt zich vaak in levendige groepjes door het landschap.

Zijn zang is een snel, melodieus gekwetter, een vrolijk en soms wat rommelig lied dat je in het voorjaar uit struiken of heggen hoort komen. In de vlucht klinkt een zacht, rollend “djè-djè-djè”. Buiten de broedtijd zijn kneuen vaak in groepen te zien, soms samen met putters en andere vinken, foeragerend op distels, kruiden en graszaden.

De kneu is een vogel van open landschappen met veel struiken, hagen en braamstruwelen. Hij komt voor in landbouwgebieden, langs akkers, in duinen en op heidevelden, maar ook in tuinen waar voldoende struikgewas aanwezig is. In Vlaanderen is de kneu een standvogel en gedeeltelijke doortrekker: veel dieren blijven hier, maar een deel trekt in de winter wat zuidelijker. De soort is de laatste decennia sterk achteruitgegaan door het verdwijnen van bloemrijke akkers en ruigtes, maar plaatselijk is hij nog een vertrouwde verschijning.

De kneu is daarmee een kleurrijke maar toch bescheiden vink, die leven brengt in heggen en braamstruwelen en tegelijk symbool staat voor het belang van kleinschalige, bloemrijke landschappen in Vlaanderen.

Habitat

De kneu is een vogel van open en halfopen landschappen. Hij voelt zich thuis in akkerranden, bloemrijke weiden, braamstruwelen, hagen en duinen – overal waar lage struiken en ruigte aanwezig zijn. Deze plekken bieden niet alleen voedsel, maar ook beschutting en nestgelegenheid. Zijn dieet bestaat vooral uit zaden van kruiden en grassen, met een duidelijke voorkeur voor distels, brandnetels en kruisbloemigen. In de broedtijd vangt hij daarnaast insecten om de jongen van eiwitten te voorzien.

In Vlaanderen is de kneu nog altijd aanwezig, maar zijn aantallen zijn de laatste decennia sterk afgenomen door de intensivering van de landbouw, het verdwijnen van akkerranden en het opruimen van braam- en struweelzones. Waar hagen, ruigtes en bloemrijke terreinen behouden blijven, kan hij zich echter nog goed handhaven.

Nestgedrag

De kneu bouwt zijn nest laag in dichte struiken, vaak in braamstruwelen, hagen of jonge aanplant. Het nest is een compact kommetje van fijne twijgjes, gras en worteltjes, bekleed met wol, haar en veertjes. Zijn voorkeur voor doornige struiken zoals braam biedt extra bescherming tegen roofdieren.

De broedtijd loopt van april tot juli, vaak met twee broedsels per jaar. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die zij in ongeveer twee weken uitbroedt. Het mannetje helpt mee door voedsel aan te dragen en het territorium te bewaken.

De kuikens worden gevoed door beide ouders, aanvankelijk met insecten en later met kleine zaden. Na 12 tot 14 dagen vliegen de jongen uit, maar blijven ze nog enige tijd afhankelijk van hun ouders.

De kneu combineert zijn kleurige voorjaarsverschijning met een verborgen nestleven in het struweel. Hij is sterk afhankelijk van bloemrijke akker- en natuurgebieden, waardoor hij tegelijk een indicator is van de kwaliteit van ons cultuurlandschap.

Foto’s