Beschrijving
Het klein koolwitje is een van de bekendste en meest algemene dagvlinders in Vlaanderen en Nederland. Met zijn spanwijdte van 35 tot 45 millimeter behoort hij tot de middelgrote witjes. Op het eerste gezicht lijkt hij sterk op het groot koolwitje, maar hij is kleiner en subtieler getekend. De voorvleugels zijn wit met een donkere vleugelpunt en meestal één (bij het mannetje) of twee (bij het vrouwtje) kleine zwarte vlekken. De achtervleugels zijn wit tot lichtgeel met soms een grijze waas. In vlucht oogt het klein koolwitje licht en sierlijk, vaak fladderend van bloem tot bloem in tuinen en bermen.
Zijn naam heeft hij te danken aan de voorkeur van de rupsen voor koolgewassen, waardoor de soort bij moestuinders soms berucht is. Toch is het een vlinder die, door zijn vrolijke verschijning en brede verspreiding, bij veel mensen meteen een zomers gevoel oproept.

Habitat
Het klein koolwitje is een uitgesproken cultuurvolger en komt werkelijk overal voor: in tuinen, parken, akkers, bermen, graslanden en bosranden. Overal waar koolsoorten of andere kruisbloemigen groeien, kan hij zich voortplanten. Hij vliegt van voorjaar tot in de herfst, vaak in meerdere generaties per jaar, waardoor je hem van april tot oktober bijna voortdurend kunt zien.
Larve
De rupsen van het klein koolwitje zijn groen met een fijne stippeltekening en daardoor goed gecamoufleerd tegen de bladeren waarop ze leven. Ze voeden zich vooral met planten uit de kruisbloemenfamilie.
De eitjes worden afzonderlijk afgezet aan de onderzijde van bladeren. De rupsen ontwikkelen zich snel, waardoor in warme zomers wel drie tot vier generaties kunnen voorkomen. De soort overwintert als pop, vastgehecht aan muren, plantenstengels of ander substraat.

