Home » Soorten » Vogels » Ijsvogel » Ijsvogel

Ijsvogel

Alcedo atthis

Beschrijving

De ijsvogel is misschien wel de meest kleurrijke vogel van Vlaanderen. Met zijn felblauwe rug en vleugels, oranjerode borst en witte keelvlek oogt hij haast tropisch, een levende edelsteen die plots langs het water kan schieten. Zijn compacte lijf, korte staart en stevige snavel maken hem perfect aangepast aan zijn jachtstijl. Vaak hoor je hem eerst – een schel, hoog “tsie” – voor je hem in een blauw-oranje flits laag over het water ziet vliegen.

De ijsvogel leeft langs heldere rivieren, beken, vijvers en kanalen, waar het water rijk is aan kleine visjes en waterinsecten. Hij jaagt vanaf een uitkijkpost boven het water: een tak, paaltje of rietstengel. Plots duikt hij pijlsnel naar beneden, vaak met een sierlijke plons, en komt hij weer boven met een visje dwars in de snavel. Voor hij zijn prooi opeet, slaat hij die eerst stevig dood tegen de zitplaats.

In Vlaanderen is de ijsvogel een standvogel, maar sterk afhankelijk van zachte winters. Tijdens strenge vorst, wanneer water dichtvriest, sterft een groot deel van de populatie weg. Toch herstelt de soort zich snel in zachte jaren en is hij tegenwoordig op veel plaatsen terug een vertrouwde verschijning.

Met zijn felle kleuren, bliksemsnelle vlucht en scherpe roep is de ijsvogel een van de meest iconische en geliefde vogels van ons waterrijke landschap.

Habitat

De ijsvogel is sterk gebonden aan heldere, visrijke wateren. Hij leeft langs rivieren, beken, kanalen, vijvers en plassen waar het water ondiep genoeg is om zijn prooi goed te zien. Belangrijk is dat de oever geschikt is: steile zand- of kleiwanden waarin hij kan graven, én voldoende overhangende takken of paaltjes die als jachtpost dienen.

In Vlaanderen komt de ijsvogel vooral voor in beekdalen, rivieren en natuurgebieden met stilstaand of langzaam stromend water. In de winter is zijn verspreiding wisselvallig: zachte winters laten de soort in aantallen toenemen, maar tijdens strenge vorst – wanneer wateroppervlakken dichtvriezen – kan de populatie plots zware verliezen lijden.

Nestgedrag

De ijsvogel heeft een bijzonder nestgedrag: hij graaft zelf een gang in een steile oeverwand van zand of leem. Deze gang kan wel 50 tot 90 cm lang zijn en eindigt in een kleine nestkamer. Daar legt het vrouwtje meestal 6 tot 7 witte eieren.

De broedtijd loopt van april tot augustus, vaak met twee of zelfs drie broedsels per jaar. Beide ouders broeden de eieren uit (ongeveer drie weken) en voeden de jongen samen. De kuikens krijgen visjes die de ouders dwars in de snavel aanreiken. Het nest wordt na verloop van tijd berucht door de sterke geur van visresten en uitwerpselen – een scherp contrast met de sierlijke schoonheid van de ouders.

Na drie tot vier weken verlaten de jongen het nest. Vaak zie je hen in hun eerste dagen onhandig op takken zitten en oefenen met duiken. De ouders begeleiden hen nog kort, maar al snel moeten ze zelf hun kostje bij elkaar vissen.

De ijsvogel is dus niet alleen een juweel om te zien, maar ook een soort met een fascinerend nestgedrag: diep verborgen in zandige oevers, waar een kleine familie blauw-oranje bliksems hun eerste sprongen naar het water maken.

Foto’s