Beschrijving
De groenling is een stevige, middelgrote vink die in Vlaanderen nog vaak in tuinen en parken te zien is. Hij doet zijn naam alle eer aan: het mannetje is overwegend groenachtig geel, met felle gele vleugel- en staartveertjes die in de vlucht mooi oplichten. Zijn kop en rug hebben een grijsgroene tint, terwijl de borst en buik warmer geel kleuren. Het vrouwtje is een stuk subtieler, met grijsgroene en bruingrijze tinten, waardoor ze minder opvalt tussen het loof. Wat bij beide geslachten opvalt, is de krachtige, kegelvormige snavel, perfect geschikt om harde zaden en pitten te kraken.
De groenling is een zadeneter pur sang. Hij voedt zich vooral met de zaden van kruiden, granen en bomen zoals els en berk. In de broedtijd schakelt hij deels over op insecten, die belangrijk zijn voor de jongen. Hij bezoekt in tuinen graag voederplaatsen, waar hij vaak in kleine groepjes neerstrijkt en met zijn forse snavel zonnebloempitten kraakt.
Zijn zang is vrolijk en levendig, met rollende en nasale klanken, vaak eindigend in een langgerekt, metaalachtig “dzjrrr”, dat klinkt als een piepende deur. Tijdens de balts laat het mannetje een sierlijke vlinderachtige vlucht zien: hij stijgt zingend op en zweeft met golvende vleugelslagen weer naar beneden.
De groenling is in Vlaanderen een algemene standvogel, al kan hij in de winter in grotere groepen rondtrekken, soms samen met vinken of kepen. Hij komt voor in tuinen, parken, bosranden en kleinschalige landbouwgebieden – overal waar struiken, bomen en zaaddragende planten aanwezig zijn.
De groenling is daarmee een vrolijke, kleurrijke verschijning in het groen, die met zijn zonnige tinten en opgewekte zang elk voorjaar een vleugje lente in de lucht brengt.

Habitat
De groenling voelt zich thuis in halfopen landschappen waar bomen, struiken en open plekken elkaar afwisselen. Je ziet hem in tuinen, parken, bosranden, houtkanten en kleinschalige landbouwgebieden. Belangrijk voor hem zijn zaaddragende planten zoals distels, weegbree en zuring, waarvan hij de zaden met zijn krachtige snavel kraakt. Ook de zaden van els en berk vormen in de winter een belangrijke voedselbron. In de herfst en winter zoekt hij vaak het gezelschap op van andere vinkachtigen zoals vinken, kepen en sijzen, soms in gemengde zwermen boven akkers of op voederplaatsen.
Nestgedrag
De groenling bouwt zijn nest meestal laag tot middelhoog in struiken of dichte bomen, vaak in tuinen, heggen of bosranden. Het nest is een keurig komvormig bouwsel van takjes, worteltjes en mos, dat zorgvuldig wordt bekleed met haren, veertjes en ander zacht materiaal.
De broedtijd loopt van april tot juli, met vaak twee broedsels per seizoen. Het vrouwtje legt per legsel 4 tot 6 blauwgroene eieren, die zij alleen bebroedt gedurende ongeveer twee weken. Het mannetje blijft in de buurt en brengt voedsel aan, vooral insecten, waarmee het vrouwtje de kuikens voedt.
Na het uitkomen blijven de jongen zo’n twee weken in het nest, waar beide ouders hen voeren. Daarna vliegen ze uit, maar worden ze nog een tijd door de ouders begeleid en krijgen ze geregeld nog zaden en insecten aangereikt.
Het nest van de groenling is vaak goed verborgen in dichte vegetatie en daardoor lastig te vinden. Zijn broedgedrag en trouw aan halfopen landschappen maken hem tot een typische bewoner van ons cultuurlandschap, die profiteert van tuinen en hagen maar kwetsbaar blijft wanneer bloemrijke plekken verdwijnen.

