Beschrijving
De grauwe gans is de oergans van onze streken: groot, stevig en minder bont gekleurd dan de brandgans of Canadese gans, maar daardoor juist heel herkenbaar. Zijn verenkleed is overwegend grijsbruin, met een lichte buik en witte stuit. De snavel is opvallend oranje tot roze, net als de poten, en zijn vleugels zijn breed en krachtig. In de vlucht hoor je hem luid gakken, een rauw en nasaal “ga-ga-ga”, vaak in golvende V-formaties die hoog door de lucht trekken.
Het is een van de meest sociale ganzen, die vrijwel altijd in groepen voorkomt. In de lucht vliegen ze in strakke formaties, terwijl ze op de grond in weilanden, akkers of graslanden samen grazen. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit gras en jonge scheuten, maar ook granen en landbouwgewassen worden graag meegenomen.
De grauwe gans is in Vlaanderen tegenwoordig een algemene stand- en broedvogel. Waar hij vroeger grotendeels verdwenen was, is hij de laatste decennia spectaculair toegenomen dankzij natuurherstel en bescherming. Hij broedt in moerasgebieden, rietkragen en langs plassen en rivieren, en is het hele jaar door in grote aantallen te zien. In de winter wordt onze populatie nog aangevuld met gasten uit Noord- en Oost-Europa, waardoor je soms enorme groepen ganzen kunt zien foerageren in de polders.
Met zijn forse formaat, luide roep en massale aanwezigheid is de grauwe gans tegenwoordig een vertrouwd onderdeel van het Vlaamse landschap: een vogel die het oergeluid van de wilde gans terugbracht in onze natuur.

Habitat
De grauwe gans voelt zich thuis in waterrijke, open landschappen. Hij broedt graag in moerassen, rietkragen, op eilandjes in meren of langs brede rivieren, waar water en beschutting dicht bij elkaar liggen. Overdag trekt hij vaak naar omliggende weilanden en akkers om te grazen, terwijl hij voor de nacht terugkeert naar veilige plassen of grote wateren.
In Vlaanderen is de grauwe gans tegenwoordig algemeen verspreid. Naast natuurgebieden zie je hem steeds vaker in landbouwgebieden en zelfs in stadsparken of recreatieplassen. Zijn succes is deels te danken aan zijn flexibiliteit: hij kan zowel in natuurlijke moerasgebieden als in sterk door mensen beïnvloede landschappen overleven.
Nestgedrag
De grauwe gans bouwt zijn nest op de grond, meestal goed verborgen in riet, gras of struikgewas langs het water. Het nest is een groot, slordig geheel van gras, riet en bladeren, rijk bekleed met dons dat het vrouwtje uit haar eigen borst trekt.
De broedtijd begint vroeg in het jaar, vaak al in maart-april. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die zij alleen uitbroedt, terwijl het mannetje in de buurt de wacht houdt. Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit.
De jongen zijn nestvlieders en volgen hun ouders vrijwel direct naar het water en de grazige oevers. Ze groeien snel dankzij het rijke aanbod aan gras en kruiden, maar blijven sterk afhankelijk van de bescherming van hun ouders. De ouders verdedigen hun kroost fel tegen roofdieren en indringers, waarbij ze luid gakkend en met gespreide vleugels indruk proberen te maken.
Na 6 tot 7 weken zijn de jongen vliegvlug. Vaak zie je gezinnen zich aansluiten bij andere families, waardoor grote groepen ontstaan die gezamenlijk foerageren en trekken. In de nazomer en herfst vormen zich soms enorme concentraties grauwe ganzen, die luid gakkend over de polders en wetlands trekken.


