Beschrijving
De gaai is een van de kleurrijkste leden van de kraaienfamilie, en toch vaak een schuwe bosvogel die je eerder hoort dan ziet. Hij heeft een warme, lichtbruine tot rozige lichaamskleur, een zwarte snorstreep langs de snavel en een witte stuit die vooral in de vlucht opvalt. Het meest in het oog springend zijn echter de felblauwe, zwart gestreepte vleugelveren, die als een klein juweel glinsteren wanneer hij wegvliegt. Zijn roep is een schelle, rauwe “schraaak”, luid en doordringend, waarmee hij vaak alarm slaat en andere dieren én mensen direct waarschuwt voor gevaar.
De gaai is een bosbewoner, maar komt ook veel voor in parken, tuinen en houtwallen. Hij is nieuwsgierig, slim en voorzichtig tegelijk: meestal zie je hem maar kort, voor hij luid roepend wegschiet door de bomen. Zijn dieet is veelzijdig: in het najaar verzamelt hij eikels, die hij in de grond verstopt als wintervoorraad – een gewoonte die onbedoeld bijdraagt aan de verspreiding van eiken in onze bossen. Daarnaast eet hij insecten, bessen, zaden en soms ook eieren of jonge vogels.
In Vlaanderen is de gaai een standvogel, het hele jaar aanwezig. Hij leeft meestal verborgen in het groen, maar zijn schelle alarmroep verraadt hem vaak nog voor je hem ziet. In de herfst vallen de grote aantallen soms extra op, wanneer noordelijke gaaien in ons land opduiken en in golven door de bossen trekken.
De gaai is daarmee een vogel vol tegenstrijdigheden: kleurrijk maar schuw, luidruchtig maar meestal verborgen, en tegelijk een belangrijke zaadverspreider die een grote rol speelt in de verjonging van onze bossen.

Habitat
De gaai is een uitgesproken bosvogel, maar hij is allang niet meer beperkt tot dichte wouden. Je vindt hem in loof- en gemengde bossen, in houtwallen, parken en zelfs grotere tuinen. Belangrijk zijn bomen die zaden en vooral eikels produceren, want die vormen zijn favoriete voedsel. In de herfst verzamelt hij honderden eikels, die hij verspreid in de grond verstopt als wintervoorraad. Daarbij vergeet hij er heel wat terug te halen – en precies zo helpt hij de eik bij zijn verspreiding. Naast eikels eet de gaai ook insecten, bessen, granen, noten en af en toe kleine dieren, eieren of kuikens.
Zijn slimheid en nieuwsgierigheid maken hem goed aangepast aan menselijke landschappen, maar hij blijft doorgaans schuw en verborgen. Vaak hoor je alleen zijn schelle alarmroep, waarmee hij ook andere dieren waarschuwt voor roofvogels of mensen.
Nestgedrag
De gaai bouwt zijn nest hoog in een boom, meestal goed verborgen in de takken. Het nest is een stevig bouwwerk van twijgen en takjes, bekleed met gras, mos en wortels. Beide partners bouwen eraan, al neemt het vrouwtje vaak de laatste afwerking voor haar rekening.
De broedtijd loopt van april tot juni. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die zij ongeveer 2,5 tot 3 weken bebroedt. Het mannetje voorziet haar intussen van voedsel en waakt in de buurt.
Na het uitkomen worden de jongen door beide ouders gevoerd met insecten, rupsen en later ook plantaardig voedsel. De kuikens blijven zo’n drie weken in het nest, waarna ze uitvliegen maar nog geruime tijd in de buurt van de ouders blijven om te leren foerageren.
De gaai is dus niet alleen een kleurrijke bosbewoner, maar ook een toegewijde ouder en onbewuste bosbeheerder, die met zijn gewoonte om eikels te verstoppen nieuwe bossen helpt ontstaan.




