Beschrijving
De dodaars is de kleinste fuut van onze streken, een compact watervogeltje dat zelden veel aandacht trekt maar bij nadere blik bijzonder charmant is. Hij heeft een gedrongen, ronde bouw met een korte hals en korte snavel, wat hem een wat plomp maar beweeglijk uiterlijk geeft. In zomerkleed valt hij op door zijn kastanjebruine wangen en keel, met een contrasterende donkere kruin en hals, terwijl zijn ogen felrood oplichten. In winterkleed is hij veel soberder, met grijzige tinten en een blekere kop, waardoor hij minder opvalt tussen het riet.
De dodaars leeft vaak verborgen in kleine plassen, vijvers en sloten met veel begroeiing. Je ziet hem zelden in open water, want hij houdt van beschutting tussen rietkragen en waterplanten. Hij is een behendige duiker en foerageert op insectenlarven, kleine visjes en waterdieren, waarbij hij telkens na korte duikjes weer ergens anders boven komt – vaak net te ver weg om goed te volgen. Zijn zachte, trillende roep hoor je vooral in het voorjaar, wanneer hij zijn aanwezigheid verraadt tussen de waterplanten.
In Vlaanderen is de dodaars een standvogel, het hele jaar door aanwezig in geschikte watergebieden. In de winter zie je hem soms ook op grotere wateren, maar altijd dichtbij dekking. Zijn verborgen levenswijze maakt dat hij vaak over het hoofd wordt gezien, maar wie de tijd neemt om te luisteren en te speuren, ontdekt een van de meest innige en schattige watervogels van ons landschap.

Habitat
De dodaars voelt zich het meest thuis in kleine, rustige wateren met veel begroeiing: vijvers, plassen, sloten en langzaam stromende rivieren. Rietkragen, waterplanten en oevervegetatie zijn essentieel, omdat ze hem beschutting bieden én voedsel herbergen. Hij mijdt grote, open wateroppervlakken waar hij te zichtbaar zou zijn voor roofdieren. In de winter verschijnt hij soms op grotere meren of kanalen, maar steeds in de luwte en dicht bij de oever. Zijn verborgen levenswijze maakt dat je hem vaak eerder hoort dan ziet.
Nestgedrag
De dodaars bouwt zijn nest drijvend tussen waterplanten, goed verborgen in het riet of tussen lisdodde. Het nest bestaat uit een hoopje plantenmateriaal dat aan de vegetatie verankerd is. Vaak wordt het nest slim afgedekt met natte planten, zodat de eieren gecamoufleerd zijn en niet opvallen voor roofdieren.
De broedtijd begint in april-mei en kan doorgaan tot juli, soms met een tweede legsel. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na ongeveer drie weken komen de kuikens uit.
De jongen zijn nestvlieders en kruipen al snel op de rug van hun ouders, waar ze zich tussen de veren verstoppen. Van daaruit worden ze gevoerd met kleine insecten, larven en visjes. Dit tafereel is een van de meest aandoenlijke beelden van onze watervogels.
Na drie tot vier weken zijn de jongen zelfstandig genoeg om zelf te duiken en voedsel te zoeken, maar vaak blijven ze nog een tijdje in de buurt van hun ouders.
De verborgen nesten, de intieme zorg voor de jongen en zijn stille aanwezigheid maken de dodaars tot een soort die pas zichtbaar wordt voor wie goed kijkt.


