Beschrijving
De bruine kiekendief is de grootste en zwaarste van onze kiekendieven, een imposante roofvogel die laag boven rietvelden en moerassen zweeft. Met zijn lange vleugels en slanke staart glijdt hij traag en elegant over het landschap, vaak op geringe hoogte, alsof hij elk hoekje en gaatje afspeurt naar prooi. Het mannetje is opvallend getekend: bruin met grijze vleugels en een lichte kop, terwijl het vrouwtje en de jonge vogels donkerbruin zijn met een roomkleurige kruin en keel. Alle vogels hebben de karakteristieke witte stuitvlek die kiekendieven zo herkenbaar maakt.
De bruine kiekendief is sterk gebonden aan natte gebieden. Uitgestrekte rietvelden, moerassen en plassen vormen zijn jacht- en broedterritorium. Daar jaagt hij op watervogels, kuikens, muizen en amfibieën, die hij met een verrassende snelheid en behendigheid uit het riet of water grijpt. Zijn vlucht is minder nerveus dan die van de blauwe kiekendief: hij beweegt met brede, rustige slagen, waardoor hij iets majestueuzer oogt.
In Vlaanderen is de bruine kiekendief een vaste broedvogel, die vanaf maart terugkeert uit Afrika en tot in het najaar aanwezig blijft. Zijn melancholische roep en het beeld van een mannetje dat wiegend boven een rietveld zweeft, horen bij de sfeer van onze moerassen in het voorjaar en de zomer.

Habitat
De bruine kiekendief is sterk afhankelijk van grote moerasgebieden en rietvelden. Hij kiest plekken waar uitgestrekte, dichte vegetatie samenkomt met open water, zodat er zowel ruimte is om te jagen als beschutting om te nestelen. In Vlaanderen zijn vooral de polders, rietmoerassen en natuurgebieden met grote plassen belangrijk voor deze soort. Buiten de broedtijd zie je hem soms ook foerageren boven akkers of weilanden, maar hij blijft trouw aan het water en het riet als kern van zijn leefgebied.
Nestgedrag
De bruine kiekendief bouwt zijn nest laag in het riet, meestal op de grond of net boven het water op een stevige ondergrond van rietstengels. Het nest is een omvangrijk platform van stengels en gras, goed verborgen in de dichte vegetatie.
Vanaf april-mei legt het vrouwtje meestal 3 tot 5 eieren. Het vrouwtje broedt hoofdzakelijk, terwijl het mannetje voor voedsel zorgt en haar en de jongen van prooien voorziet. Zijn prooioverdracht is een spectaculair gezicht: hij laat in de lucht een gevangen prooi vallen, die het vrouwtje met een sierlijke beweging opvangt.
Na ongeveer 5 weken komen de jongen uit. In het begin zijn ze volledig afhankelijk van het vrouwtje, maar naarmate ze groeien wordt het voeren een gezamenlijke taak van beide ouders. De kuikens verlaten na 6 tot 7 weken het nest en verspreiden zich in het riet. Vaak hoor je hun klaaglijke bedelroep al van ver, nog voordat je ze ziet.
De aanwezigheid van broedende bruine kiekendieven is vaak een graadmeter voor de kwaliteit en rust van een moerasgebied: waar deze vogels nestelen, is de natuur meestal nog uitgestrekt en ongerept genoeg om hen te dragen.
