Beschrijving
De boomleeuwerik is een kleine leeuwerik die opvalt door zijn compacte bouw en korte staart. Hij oogt wat gedrongener dan de veldleeuwerik, met warmbruine bovendelen, een lichte onderzijde en fijne donkere strepen. Opvallend zijn de lichte wenkbrauwstrepen die samen een soort boog boven het oog vormen. In vlucht herken je hem aan de korte staart en brede, afgeronde vleugels, die hem een ander silhouet geven dan de langere, slankere veldleeuwerik.
Zijn zang is een melodieus, melancholiek en variabel lied, dat hij vaak laat horen vanuit een boomtop of struik – in tegenstelling tot de veldleeuwerik, die doorgaans hoog in de lucht zingt. Ook in de balts vliegt hij wel op, maar minder hoog en minder langdurig dan zijn veldgenoot.
De boomleeuwerik is een vogel van heide, duinen en open zandige gebieden met verspreide struiken of boompjes. In Vlaanderen komt hij vooral voor in heidegebieden zoals de Hoge Kempen en de Kalmthoutse Heide, waar zijn zachte, droevige zang in de lente tot de sfeer van het landschap behoort.
Het is een standvogel, maar hij kan in de winter wat zwerven naar voedselrijkere gebieden. Zijn aantallen zijn de laatste decennia afgenomen door het verdwijnen van open heide en verstuivingen, waardoor hij nu vooral in goed beheerde natuurgebieden standhoudt.
De boomleeuwerik is daarmee een soort die symbool staat voor onze heide: klein, bescheiden en soms onopvallend, maar met een prachtige zang die het landschap een extra dimensie geeft.

Habitat
De boomleeuwerik houdt van open, zandige landschappen met een afwisseling van kale stukken grond, heide en verspreide struiken of kleine boompjes. Die boompjes gebruikt hij graag als zangpost. Heidegebieden, duinen, stuifzanden en jonge bosaanplant vormen zijn belangrijkste leefgebied. In Vlaanderen is hij vooral te vinden in de grotere heidecomplexen, zoals de Hoge Kempen en de Kalmthoutse Heide.
Voor zijn voedsel zoekt hij de bodem af: zaden, kruiden en grassen vormen het basisdieet, aangevuld met insecten tijdens het broedseizoen, wat belangrijk is voor de groei van de jongen. Zijn voorkeur voor kale, zandige plekken maakt hem sterk afhankelijk van beheer dat heide en stuifzanden open houdt. Waar de vegetatie te dicht wordt, verdwijnt hij al snel.
Nestgedrag
De boomleeuwerik nestelt op de grond, meestal goed verborgen tussen heideplanten, gras of mos. Het nest is een eenvoudig kuiltje, bekleed met gras en fijne worteltjes.
De broedperiode loopt van maart tot juli, met vaak twee legsels per jaar. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 5 eieren, die zij grotendeels zelf bebroedt, al helpt het mannetje soms mee. Na ongeveer 2 weken komen de jongen uit.
De kuikens zijn nestvlieders en verlaten al snel het nest, hoewel ze in de eerste periode nog volledig afhankelijk zijn van hun ouders. Beide ouders voeren de jongen met insecten en larven. Na een kleine twee weken kunnen de jongen vliegen en sluiten ze zich aan bij hun ouders in het leefgebied.
Tijdens de broedtijd is het mannetje vaak te horen met zijn melancholische zang, vanaf een boomtop of tijdens een korte zangvlucht. Daarmee markeert hij zijn territorium en probeert hij een vrouwtje aan zich te binden.
De boomleeuwerik is dus een echte specialist van heide en zandlandschappen, waarvan zijn aanwezigheid sterk samenhangt met goed natuurbeheer. Zijn zachte, droevige zang in de vroege lente is een van de mooiste geluiden van de heide.



