Beschrijving
De berkenzwam vormt grote, halfronde tot hoefvormige vruchtlichamen van 10 tot 25 cm breed en 2 tot 6 cm dik. De bovenzijde is witachtig tot lichtgrijs, soms bruinachtig bij ouderdom, met een glad en wat dof oppervlak. De rand is dik, afgerond en lichter van kleur.
De onderzijde bestaat uit fijne, witte poriën die bij ouderdom bruin verkleuren. Het vruchtvlees is wit, kurkachtig en vrij zacht bij jonge exemplaren, maar wordt later harder en bros. De zwam leeft meestal maar één seizoen: in tegenstelling tot veel andere houtzwammen vormt hij éénjarige vruchtlichamen die in de winter vaak afvallen of vergaan.

Habitat
Zoals de naam al aangeeft groeit de berkenzwam vrijwel uitsluitend op berken (Betula). Hij verschijnt zowel op levende als op dode stammen, stronken en liggende takken. De vruchtlichamen zijn te vinden van de lente tot in de herfst en zijn in Vlaanderen vrij algemeen.
Ecologie
De berkenzwam is zowel een parasiet als een saprotroof. Op levende berken veroorzaakt hij witrot, wat de boom verzwakt en uiteindelijk kan doden. Daarna leeft de zwam verder op het dode hout als afbreker.
Voor de mens heeft de soort ook cultuurhistorische betekenis. Het vruchtvlees werd vroeger gebruikt als scheermesstrop en als natuurmedicijn (antibacterieel en bloedstelpend). De beroemde gletsjermummie Ötzi droeg stukken berkenzwam bij zich, vermoedelijk als medicijn of vuurstarter.


