Beschrijving
De bergeend is een opvallende verschijning onder de eenden, groot en fors gebouwd, bijna zo groot als een kleine gans. Zijn verenkleed is uniek en onmiskenbaar: een witte basis met een glanzend groene kop, een kastanjebruine borstband en zwarte vleugels. De felrode snavel, bij het mannetje met een duidelijke knobbel aan de basis, maakt het beeld compleet. In vlucht vallen de brede witte vleugelvelden op, die contrasteren met de donkere uiteinden.
Bergeenden leven vooral in kustgebieden. Je ziet ze langs slikken, schorren, zandplaten en ondiepe lagunes, waar ze foerageren op schelpdieren en kleine kreeftachtigen, vooral slijkgarnalen. Ze graven ook met hun snavel in de modder naar wormen en ander bodemleven. Buiten de broedtijd vormen ze vaak grote groepen die gezamenlijk voedsel zoeken of rusten op zandbanken. Hun zachte, fluitende roep verraadt soms hun aanwezigheid, maar vaak is het hun zwart-witte, contrastrijke verschijning die meteen opvalt.
In Vlaanderen is de bergeend een algemene broedvogel aan de kust, met broedplaatsen in de duinen, op kwelders en in schelpenbanken. Buiten de broedtijd kan je grote groepen zien in estuaria zoals de Westerschelde of het Zwin, waar ze soms duizenden exemplaren tellen.
De bergeend is daarmee een markante kustvogel: half eend, half gans van formaat, met een opvallend uiterlijk en sterk gebonden aan het getijdenlandschap.

Habitat
De bergeend is sterk gebonden aan kustgebieden met slikken, schorren, zandplaten en duinen. Daar vindt hij zijn belangrijkste voedsel: kleine kreeftachtigen, schelpdieren en wormen, die hij met zijn brede snavel uit het slik zeeft. Tijdens laagwater foerageert hij op de drooggevallen platen, terwijl hij bij hoogwater vaak in groepen rust op zandbanken of strandvlakten. In het binnenland zie je hem slechts sporadisch, vooral bij grote meren of plassen, maar zijn echte thuis is het getijdenlandschap van de kust.
Nestgedrag
De bergeend heeft een bijzonder nestgedrag. In tegenstelling tot de meeste eenden bouwt hij zijn nest vaak in holen of beschutte plekken: konijnenholen in duinen, holtes tussen boomwortels, spleten in dijken of zelfs verlaten gangen van andere dieren. Het nest wordt bekleed met dons en ligt vaak goed verborgen.
De broedtijd begint in april-mei. Het vrouwtje legt meestal 8 tot 12 eieren, die zij alleen bebroedt. Het mannetje blijft in de buurt, maar neemt niet deel aan het broeden. Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit.
De jongen verlaten vrijwel meteen het nest en worden door de moeder naar een voedselrijk gebied geleid. Daar sluiten ze zich vaak aan bij andere gezinnen, zodat groepen van tientallen of zelfs honderden kuikens ontstaan. Meerdere volwassen vogels houden daarbij de wacht, terwijl de jongen gezamenlijk opgroeien en foerageren.
Na 6 tot 7 weken zijn de jongen vliegvlug en mengen ze zich in de grotere groepen bergeenden die in nazomer en herfst vaak samenkomen op zandplaten. Daar vindt ook de rui plaats, waarbij duizenden vogels tijdelijk hun slagpennen verliezen en enkele weken niet kunnen vliegen.


