Beschrijving
De absintmonnik is een middelgrote nachtvlinder uit de familie van de uilen (Noctuidae), die in Vlaanderen en Nederland zeldzaam is geworden. Hij heeft een spanwijdte van ongeveer 40 tot 46 millimeter. De vlinder heeft lange, smalle vleugels die in rust strak tegen het lichaam gevouwen worden, waardoor hij op een droge tak of dorre bladsteel lijkt. De voorvleugels zijn grijsachtig tot bruin met fijne, donkere golf- en streeptekeningen, vaak met een lichte middenvlek. De achtervleugels zijn bleekgrijs tot bijna wit, met een subtiele donkerder achterrand.
De absintmonnik is uitsluitend ’s nachts actief en wordt regelmatig door licht aangetrokken. Overdag rust hij verborgen tegen boomstammen, palen of tussen planten, waar zijn schutkleur hem uitstekend camoufleert. De vliegtijd loopt in Vlaanderen en Nederland van juli tot september, met één generatie per jaar.

Habitat
Deze vlinder is nauw verbonden met zijn waardplanten en komt vooral voor in droge, kruidenrijke graslanden, wegbermen, braakliggende terreinen en spoorbermen. Hij heeft een voorkeur voor open, zonnige plaatsen waar zijn waardplanten in grotere aantallen groeien. In Vlaanderen is de soort tegenwoordig vrij zeldzaam, vooral door het verdwijnen van ruige akkers en onbemeste graslanden.
Larve
De rupsen van de absintmonnik zijn opvallend mooi: ze zijn heldergroen met zwarte stippen en gele dwarsbanden, waardoor ze goed opvallen tussen de bloemen. Ze leven vooral op alsemsoorten, met name bijvoet (Artemisia vulgaris) en absintalsem (Artemisia absinthium), maar soms ook op hondsdraf, duizendblad of boerenwormkruid.
De vrouwtjes zetten hun eieren af op de knoppen en jonge bladeren van deze planten. De rupsen vreten aan bladeren, knoppen en bloemen en kunnen bij massale aanwezigheid plaatselijk schade veroorzaken. De verpopping gebeurt in de grond in een stevige, met aarde bedekte cocon. De soort overwintert als pop, waarna de volwassen vlinders in de zomer tevoorschijn komen.
