Beschrijving
De aalscholver is een grote, donkergekleurde watervogel die meteen opvalt door zijn slanke lijf, lange hals en krachtige snavel met een haakvormige punt. Zijn verenkleed oogt op afstand zwart, maar van dichtbij zie je een groenige glans en in de broedtijd zelfs witte vlekken op kop en dijen. Zijn felle, blauwgroene ogen en gele huid rond de snavel geven hem een markante, bijna exotische uitstraling.
Aalscholvers zijn uitstekende vissers. Met hun gestroomlijnde lichaam duiken ze onder water en jagen ze behendig op vissen, die ze met hun scherpe snavel grijpen. Anders dan veel andere watervogels hebben hun veren geen volledig waterafstotende laag, waardoor ze sneller zinken en wendbaarder zijn onder water. Daardoor zie je hen vaak na het vissen met gespreide vleugels zitten drogen op een paal, boomtak of oever. Een houding die voor velen hét beeld van de aalscholver is.
In Vlaanderen is de aalscholver een algemene broed- en wintervogel. Hij broedt in kolonies, vaak in hoge bomen of op eilandjes in grote plassen, en buiten het broedseizoen zie je hem in havens, op rivieren, meren en poldersloten. Zijn aanwezigheid kan indrukwekkend zijn: groepen van tientallen vogels die gezamenlijk vissen of rusten maken duidelijk dat dit een sociale en succesvolle soort is.
De aalscholver is daarmee een vogel die kracht en elegantie combineert. Een meesterjager onder water en tegelijk een markant silhouet boven de oppervlakte.

Habitat
De aalscholver is nauw verbonden met watergebieden: grote meren, rivieren, moerassen, estuaria en kusten. Hij jaagt overal waar voldoende vis te vinden is, van kleine poldervaarten tot havens en open zee. In broedtijd verkiest hij plekken met rust en overzicht, vaak eilandjes in plassen of oude bomen langs meren en rivieren. Buiten het broedseizoen zie je hem ook in steden en havens, waar hij gemakkelijk vis kan vangen. Zijn aanpassingsvermogen maakt dat hij zowel in natuurlijke wetlands als in sterk door mensen beïnvloede landschappen succesvol is.
Nestgedrag
De aalscholver broedt in kolonies, vaak samen met tientallen of honderden soortgenoten. Het nest wordt meestal gebouwd hoog in bomen, maar soms ook op de grond of op kliffen en eilandjes. Het is een omvangrijke hoop van takken en ander materiaal, vaak hergebruikt en jaar na jaar verder uitgebouwd.
Vanaf maart-april begint de broedtijd. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren, die door beide ouders worden bebroed. Na ongeveer vier weken komen de kuikens uit: kale, donkere jongen met grote snavels, die luid bedelen bij elke voedseloverdracht. De ouders voeren hen door halfverteerde vis uit hun keel op te braken, een spectaculair gezicht waarbij de kuikens soms diep in de snavel van de ouder kruipen om voedsel te krijgen.
Na 6 tot 7 weken zijn de jongen groot genoeg om uit te vliegen. Vaak blijven ze nog een tijd in de buurt van de kolonie, bedelend om voedsel en oefenend met duiken. Een kolonie aalscholvers is in die periode een levendig, luidruchtig en soms sterk ruikend schouwspel, dat van veraf al te herkennen is aan de witte kalksporen van uitwerpselen op bomen en oevers.
De aalscholver is daarmee niet alleen een meesterlijke visser, maar ook een uitgesproken kolonievogel, waarvan de broedplaatsen echte centra van bedrijvigheid vormen in het waterrijke landschap.



